Blog

In haar uitspraak van 19 november 2014 heeft de Afdeling geoordeeld dat de rechtbank een beroepschrift tegen een besluit op een WOB-verzoek niet-ontvankelijk kan verklaren. Daarbij heeft de Afdeling zeer uitvoerig gemotiveerd wanneer aangenomen kan worden dat sprake is van misbruik van recht.

Een juridisch adviseur stond een klant bij in een procedure tegen een verkeersboete die op grond van de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) was opgelegd. In het kader van deze procedure diende de adviseur bij de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) zes verzoeken om documenten in. Deze documenten hadden ook opgevraagd kunnen worden op grond van artikel 7:18 Awb of de artikelen 11 lid 4 jo. 19 lid 4 Wahv, maar de Afdeling overwoog dat uit de verzoeken duidelijk bleek dat het een bewuste keuze van de juridisch adviseur was geweest om de verzoeken te baseren op de WOB. Daarom moesten de verzoeken worden aangemerkt als WOB-verzoeken en de reactie op deze WOB-verzoeken als besluiten in de zin van artikel 1:3 lid 1 Awb.

De rechtbank had het beroep tegen het besluit op de WOB-verzoeken niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht. De appellant verzette zich daartegen en betoogde dat de Awb deze mogelijkheid niet kent.

De Afdeling oordeelt dat een beroepschrift tegen een besluit op een WOB-verzoekwel degelijk niet-ontvankelijk kan worden verklaard wegens misbruik van recht, maar dat daarvoor wel zwaarwichtige gronden zijn vereist. Zwaarwichtige gronden zijn onder meer aanwezig, aldus de Afdeling, indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij gegeven zijn, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.

In dit geval komt de Afdeling tot de conclusie dat er voldoende zwaarwichtige gronden zijn om tot de conclusie te komen dat sprake is van misbruik van recht. De Afdeling overweegt dat uithet procesgedrag van de juridisch adviseur blijkt dat de WOB-verzoeken er niet op gericht zijn om het bestuursorgaan te stimuleren om zo snel mogelijk informatie openbaar te maken, maar om proceskosten en dwangsommen te kunnen innen omdat:

-er zes WOB-verzoeken zijn ingediend, waarbij samenhangende documenten verspreid zijn opgevraagd;

-in de verzoeken herhaald is gevraagd om dezelfde documenten zonder dat daarvoor een reden is gegeven;

-de correspondentie wel is gericht aan het CVOM, maar is verstuurd naar andere adresgegevens dan de adresgegevens die specifiek voor de behandeling van dit soort verzoeken bedoeld zijn en bekend waren bij de adviseur;

-de juridisch adviseur een eigen belang had bij een proceskostenvergoeding en betaling van dwangsommen omdat hij bijstand verleende op basis van ‘no cure, no pay’, waarbij de klant ook een deel van de dwangsommen wegens het niet tijdig beslissen aan de juridisch adviseur moest afstaan.

ABRvS 19 november 2014, www.rechtspraak.nl; ECLI:NL:RVS:2014:4129

Vragen over de WOB kunt u aan ons stellen via wob@avdw.nl.

Actualiteiten overzicht