Blog
De legitieme portie neemt een bijzondere plaats in binnen het Nederlandse erfrecht. De legitieme portie is een dwingendrechtelijke aanspraak van afstammelingen op een deel van de nalatenschap van een erflater, in beginsel opeisbaar vanaf zes maanden na het overlijden van erflater (artikel 4:80 BW). Daarmee vormt de legitieme portie een beperking op de vrijheid van de erflater om naar eigen inzicht bij testament over zijn vermogen te beschikken. In veel testamenten wordt daarom gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de opeisbaarheid van de legitieme portie uit te stellen tot het overlijden van de langstlevende partner (artikel 4:82 BW). Dit roept een spanningsveld op tussen enerzijds de bescherming van de positie van de langstlevende, en anderzijds de zekerheid die legitimarissen verlangen over hun toekomstige aanspraak.
In dit artikel staat de vraag centraal of, en zo ja onder welke voorwaarden, een legitimaris zekerheid kan afdwingen voor een niet-opeisbare legitimaire aanspraak.
Conservatoir beslag
Een manier om zekerheid te verkrijgen is het leggen van conservatoir beslag.
Oud erfrecht
In 2016 bepaalde de Hoge Raad dat conservatoir beslag kan strekken ter verzekering van een erfrechtelijke vordering die nog niet opeisbaar is. Het ging in deze zaak om een niet-opeisbare vordering uit hoofde van een legitieme portie in een nalatenschap die onder het oude erfrecht (dus voor 2003) was opengevallen. In die zaak was het beslag gelegd en was de vordering van de langstlevende partner tot opheffing van het beslag afgewezen. De Hoge Raad bepaalde dat het niet onmogelijk is om conservatoir beslag te leggen op vorderingen die in geld uit te drukken zijn, maar die nog niet opeisbaar zijn (HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1271).
Nieuw erfrecht
Voor het nieuwe erfrecht kwam deze vraag pas in 2019 aan de orde (Hof Den Haag 19 december 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3380). In die zaak in hoger beroep stelde de dochter van erflaatster zich op het standpunt dat het mogelijk is om conservatoir beslag te doen leggen tot zekerheid van verhaal van haar niet-opeisbare vordering. In de bestreden beschikking heeft de voorzieningenrechter het verzoek van de dochter afgewezen met als overweging dat uit de parlementaire geschiedenis van het nieuwe erfrecht blijkt dat het uitgangspunt is dat het ongestoord voortleven van de langstlevende echtgenoot centraal staat. Het hof overweegt als volgt:
“Voor het hof staat derhalve voorop dat het testament van erflaatster de vader het recht geeft om in beginsel vrij te beschikken over de nalatenschap om, in overeenstemming met het door erflaatster beoogde doel van het testament, ongestoord te kunnen voortleven na het overlijden van erflaatster. Naar het oordeel van het hof vindt deze testamentaire bevoegdheid van de langstlevende echtgenoot om vrij te kunnen beschikken over de nalatenschap slechts zijn begrenzing daar waar de vader misbruik van bevoegdheid maakt, dat wil zeggen de vader over de nalatenschap beschikt met geen ander doel dan (een van) de kinderen in (zijn respectievelijk) hun verhaalsmogelijkheden te benadelen. Het hof acht daarbij een grote terughoudendheid op zijn plaats teneinde zoveel mogelijk te voorkomen dat het door erflaatster met het testament beoogde doel – het ongestoord voortleven van de langstlevende echtgenoot – door rechterlijke inmenging niet kan worden verwezenlijkt.”
Met deze uitspraak neemt het hof dus als uitgangspunt dat vrije beschikking slechts begrensd kan worden door misbruik van bevoegdheid (Hof Den Haag 19 december 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3380, r.o. 22).
Ook de rechtbank Amsterdam neemt deze regel als uitgangspunt en staat conservatoir beslag, zonder misbruik van omstandigheden, niet toe (Rb. Amsterdam 13 oktober 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:5797).
In een uitspraak van de rechtbank Limburg in 2022 is het gelegde conservatoire beslag wel in stand gelaten (Rb. Limburg 22 februari 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:1352). De rechtbank heeft het belang van de beslaglegger, te weten het verhaal voor haar vordering uit hoofde van de legitieme portie zeker te stellen, afgewogen tegen het belang van de executeur van de nalatenschap, te weten het vrij over het beslagen onroerend goed te kunnen beschikken. De rechtbank concludeerde dat het voldoende aannemelijk is dat de executeur over voldoende middelen beschikt om gedurende haar resterende levensjaren in haar behoeften te voorzien en zij bij leven reeds schenkingen heeft gedaan uit het vermogen van erflater, waardoor de vordering van de beslaglegger gezien de vrijgevigheid van de executeur, gevaar loopt bij opheffing van het gelegde beslag.
Kortom, hoewel het afdwingen van zekerheid voor een niet-opeisbare legitimaire aanspraak in principe mogelijk is door het leggen van conservatoir beslag, blijft het een uitzonderingsmaatregel die slechts onder strikte voorwaarden wordt toegestaan. De te hanteren maatstaf hierbij is misbruik van omstandigheden. Uit de besproken rechtspraak blijkt dat de rechter terughoudend is in het toekennen van deze maatregel, daarbij weegt het belang van het ongestoord voortleven van de langstlevende partner zwaar.
Heeft u in de praktijk te maken met een situatie waarin zekerheid gewenst is voor een nog niet-opeisbare erfrechtelijke vordering? Of wilt u weten wat in uw specifieke geval de mogelijkheden zijn? Neem dan gerust contact met ons op voor een vrijblijvend gesprek of nadere juridische toelichting. Wij denken graag met u mee.