Nieuwsbrief voor overheden
Ten aanzien van een besluit tot weigering van een omgevingsvergunning om af te wijken van een bestemmingsplan zal degene die zich beroept op strijdigheid van planregels met de Dienstenrichtlijn, anders dan ten aanzien van een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, concreet moeten onderbouwen waarom de in de planregels neergelegde eisen in strijd zijn met de Dienstenrichtlijn.
Het Europees Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 30 januari 2018 (zaken C-360/15 en C-31/16) geoordeeld dat planologische besluiten ook in nationale situaties getoetst dienen te worden aan de dienstenrichtlijn. In de daarop volgende uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2062) over de zogenoemde brancheringsregels die de gemeenteraad van Appingedam in een bestemmingsplan had opgenomen, heeft de Afdeling geoordeeld dat nog niet kon worden beoordeeld of de uit de planregels volgende beperking evenredig is in de zin van artikel 15, derde lid, van de Dienstenrichtlijn. De gemeenteraad van Appingedam moest alsnog onderbouwen dat de planregels evenredig zijn of het bestemmingsplan aanpassen.
In de hier besproken zaak was niet een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan aan de orde, maar een besluit tot weigering van een omgevingsvergunning. Een door het college van de gemeente Tilburg in eerste instantie verleende omgevingsvergunning voor het in afwijking van het bestemmingsplan realiseren van een fietsenhandel werd naar aanleiding van bezwaren van een concurrent geweigerd. De rechtbank liet het weigeringsbesluit in stand. In hoger beroep heeft de Afdeling zich onder meer gebogen over de vraag of de planregels die uitsluitend perifere detailhandel op het perceel in kwestie toestaan in strijd zijn met artikel 15, derde lid van de Dienstenrichtlijn.
De Afdeling heeft als volgt overwogen:
“Anders dan in de hiervoor genoemde uitspraak van 20 juni 2018, is in dit geding geen besluit van de raad tot vaststelling van een bestemmingsplan aan de orde, maar een besluit van het college tot weigering van een omgevingsvergunning om van een vastgesteld bestemmingsplan af te wijken. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan waaraan de aanvraag om omgevingsvergunning is getoetst, is onherroepelijk. Het ligt in deze situatie op de weg van International Bike Group om nader te onderbouwen waarom de in de planregels neergelegde eisen over perifere detailhandel in strijd zijn met artikel 15, derde lid, van de Dienstenrichtlijn. Aangezien International Bike Group slechts heeft gesteld dat het bestuursorgaan onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de in de planregels neergelegde eisen over perifere detailhandel geschikt zijn om het beoogde doel te bewerkstelligen, heeft zij haar betoog over strijd met de Dienstenrichtlijn onvoldoende geconcretiseerd. De Afdeling ziet in het aangevoerde daarom geen aanleiding om artikel 1.56 en artikel 9, lid 9.1.1 en lid 9.1.2, van de planregels onverbindend te achten.”
Bij een beroep op strijd met de Dienstenrichtlijn in het kader van besluitvorming over een omgevingsvergunning is, anders dan ten aanzien een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, niet de gemeente aan zet om een nadere onderbouwing te geven maar degene die zich op de strijdigheid beroept.
ABRvS 24 oktober 2018, www.rechtspraak.nl:ECLI:NL:RVS:2018:3471
Door Ad Schreijenberg
"