Nieuwsbrief voor overheden

Conclusie van de Advocaat-Generaal Widdershoven over de vraag of een (persoonsgebonden) gedoogverklaring een besluit is als bedoeld in artikel 1:3 lid 1 Awb. Dat is volgens hem slechts onder beperkte omstandigheden het geval.

Het college van B en W van de gemeente Bladel had aan de eigenaar van een schuur een persoonsgebonden gedoogbeschikking onder voorwaarden verleend. De schuur was in 1933 gebouwd, naar later bleek zonder bouwvergunning. De huidige eigenaar was in 2013 eigenaar geworden van de schuur. Hij had derhalve niet gebouwd, maar overtrad wel het verbod van artikel 2.3a Wabo, het verbod om illegale bouwwerken in stand te houden.

Het bouwwerk kon niet worden gelegaliseerd. Het college besluit uiteindelijk om voor de overtreding een persoonlijke gedoogbeschikking onder voorwaarden af te geven aan de huidige eigenaar. Dit besluit was gebaseerd op gemeentelijk beleid om niet handhavend op te treden tegen illegale bouwwerken die vóór 1980 waren gebouwd omdat dat zou leiden tot aperte onbillijkheid.

De huidige eigenaar komt daartegen in verzet. Hij bestrijdt dat geen bouwvergunning is verleend en betoogt dat de gedoogbeschikking ten onrechte persoonsgebonden is.

De rechtbank verklaart het beroep tegen de beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk omdat de gedoogbeschikking volgens de rechtbank niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 lid 1 Awb.

In hoger beroep vraagt de Afdeling aan de A-G Widdershoven om een conclusie te nemen over de vraag of de persoonsgebonden gedoogbeschikking onder voorwaarden al dan niet moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 lid 1 Awb.

De conclusie van de A-G is relatief beknopt en helder geformuleerd, zodat ik deze hieronder citeer:

“Een gedoogverklaring is uitsluitend, voor zover zij een afwijzing van een handhavingsaanvraag van een derde-belanghebbende impliceert, een appellabele beschikking op grond van artikel 1:3, tweede lid, Awb. Als zodanig is de verklaring geen beschikking. De afwijzing kan door de derde bij de bestuursrechter worden aangevochten en in die procedure staat (indirect) ook de gedoogverklaring ter discussie. De overtreder heeft bij een rechterlijk oordeel over die afwijzing geen procesbelang. Hij kan hiertegen geen beroep instellen.

 

Een ambtshalve of op verzoek van de overtreder verleende gedoogverklaring betreft, voor zover zij de weigering impliceert een bestuurlijke sanctie toe te passen, een schriftelijke weigering een besluit te nemen en wordt in zoverre op grond van artikel 6:2, onder a, Awb, voor de rechtsbescherming met een besluit gelijkgesteld. Die gelijkstelling betreft niet deze gedoogverklaringen als zodanig. Tegen de weigering kan de derde beroep instellen bij de bestuursrechter en in die procedure staat (indirect) ook de gedoogverklaring ter discussie. De overtreder heeft bij een rechterlijk oordeel over de weigering geen procesbelang. Hij kan hiertegen geen beroep instellen.

 

De gedoogverklaring als zodanig en de weigering en intrekking van zo’n verklaring zijn geen besluiten of beschikkingen. Zij moeten voor de rechtsbescherming van de overtreder wel met een appellabel besluit worden gelijkgesteld als de alternatieve rechtsweg waarlangs hij een oordeel van de bestuursrechter over deze beslissingen kan krijgen onevenredig bezwarend is.”

Conclusie A-G d.d. 16 januari 2019, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2019:86

Door Jaap IJdema

"

Actualiteiten overzicht