Nieuwsbrief voor overheden

Vader en dochter zijn samen eigenaar van een Amsterdamse woning. Dat de dochter slechts voor 1 procent juridisch eigenaar is van een in strijd met de Huisvestingsverordening via Airbnb verhuurd appartement en dat zij slechts een zijdelingse betrokkenheid heeft bij de illegale verhuur maakt niet dat zij niet als overtreder kan worden aangemerkt. Het college had volgens de Afdeling wel reden moeten zien om het boetebedrag te matigen.

 

Door toezichthouders van de gemeente is vastgesteld dat een appartement in een Amsterdamse woning aan toeristen werd verhuurd. Dat was op grond van de toen geldende Huisvestingswet en de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 niet toegestaan. Reden voor het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om aan de eigenaren van het appartement, vader en dochter, een bestuurlijke boete van

€ 12.000,- op te leggen.

Beiden hebben zich verzet tegen deze boete en bezwaar en vervolgens beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep van de vader (voor 49/100e deel eigenaar van het appartement) bij uitspraak van 29 september 2016 ongegrond verklaard en het beroep van dochter (voor 1/100e deel eigenaar van het appartement) gegrond verklaard en de boete voor haarzelf voorziend vastgesteld op € 3.000,-.

Het college heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Vader en dochter hebben vervolgens incidenteel hoger beroep ingesteld. De vader is niet-ontvankelijk in zijn beroep, aangezien het hoger beroep van het college zich uitsluitend richt tot de door de rechtbank gematigde boete die aan zijn dochter werd opgelegd. Het hoger beroepschrift van de vader moet daarom als principaal hoger beroepschrift worden beschouwd en is als zodanig te laat ingediend.

De rechtbank had in haar uitspraak overwogen dat de dochter als medepleger als bedoeld in artikel 5:1, lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kon worden aangemerkt. Dat betwist de dochter. De Afdeling heeft overwogen dat de omstandigheid dat de ouders de verhuur van het appartement aan toeristen organiseerden niet maakt dat de dochter niet zelf als overtreder kan worden aangemerkt. Zij is fysiek bij de overtreding betrokken en heeft als medebewoner én mede-eigenaar van het pand een rol gespeeld bij de toeristische verhuur. Ze kan als medepleger worden aangemerkt en is daarmee door de rechtbank terecht als overtreder aangemerkt.

De rechtbank had de matiging van de boete gebaseerd op het in artikel 3:4, lid 2 van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel. De Afdeling heeft overwogen dat dat onjuist is. Het had op de weg van de rechtbank gelegen om de hoogte van de boete te toetsen aan artikel 5:46, lid 3 van de Awb, waarin is geregeld dat het bestuursorgaan een lagere boete oplegt als de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Dergelijke bijzondere omstandigheden ziet de Afdeling in de door de dochter aangevoerde feiten. De Afdeling volgt de rechtbank dus wel in het oordeel dat het college de boete had moeten matigen.

ABRvS 22 november 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2017:3205

Door Ad Schreijenberg

"

Actualiteiten overzicht