Nieuwsbrief voor overheden
Bij een politieman werd in 2001 en 2007 geconstateerd dat zijn adem tijdens diensturen rook naar alcoholhoudende drank. Eind 2009 werd wederom een alcohollucht geconstateerd. Hij heeft een ongeloofwaardige verklaring over zijn drankgebruik gegeven. Op 15 februari 2010 heeft de korpschef besloten tot voorwaardelijk ontslag. Toen op 28 september 2010 bleek dat er opnieuw een alcohollucht was waargenomen werd een disciplinair onderzoek ingesteld, waaruit bleek dat er sprake was van toerekenbaar plichtsverzuim. Met ingang van 1 april 2011 is de politieman onvoorwaardelijk ontslagen.
De Centrale Raad oordeelt dat het hoger beroep tegen het onvoorwaardelijk ontslag niet slaagt. Uit een brief van een kaakchirurg-oncoloog, waarin gesteld wordt dat de alcohollucht is veroorzaakt door een aandoening aan het gebit, kan volgens de Centrale Raad niet worden afgeleid dat de waargenomen alcohollucht een andere oorzaak had dan drankgebruik. Van belang daarbij is dat de man na constatering gevraagd is of hij wilde blazen op het ademanalyseapparaat. Dat heeft hij geweigerd en die weigering is voor zijn eigen risico.
CRvB 26 juni 2014, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2014:2197
"