Nieuwsbrief voor overheden

Onrechtmatige daad gemeente door bekendmaking rapport integriteitsschending door gemeenteraadslid?

De kinderen van een gemeenteraadslid kopen een perceel en vragen een bouwbestemming aan. Daartegen wordt een zienswijze ingediend door betrokkene. Hij merkt op dat de rechtsvoorganger van de kinderen, zijn moeder, herhaaldelijk om een bouwbestemming heeft gevraagd, maar die niet heeft gekregen. Wil de gemeente dan nu wel een bouwbestemming toekennen aan de kinderen van een raadslid?

Deze zienswijze leidt er toe dat het raadslid in gesprek gaat met betrokkene. Zij zijn lid van hetzelfde kerkgenootschap. Dat leidt tot enige verkwikkelijkheden. Het raadslid vraagt aan betrokkene of hij zijn beschuldigende zienswijze wil intrekken. Betrokkene schrijft ook een brief aan de gemeente om de beschuldigende vinger in te trekken, naar aanleiding waarvan de burgemeester met betrokkene in gesprek gaat.

De burgemeester laat door een professor een onderzoek uitvoeren naar de vraag of er rechtmatig en integer is gehandeld. De professor concludeert dat de Gemeentewet niet is overtreden, maar wel de gedragscode van de gemeenteraad en artikel 2.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het raadslid had zich naar aanleiding van de kennisneming van de zienswijze niet met de zaak mogen bemoeien door te verzoeken de zienswijze in te trekken, te dreigen met de kerkenraad en het aanbieden van een geldbedrag. De gemeenteraad heeft daardoor niet zonder vooringenomenheid, niet onafhankelijk en niet onpartijdig de beslissing over de voorgenomen wijziging van het bestemmingsplan kunnen nemen.

Het raadslid en zijn fractievoorzitter krijgen inzage in het rapport van de professor; later die dag worden de andere fractievoorzitters op de hoogte gebracht van het bestaan van het rapport. Het presidium wordt bijeengeroepen; het rapport is een geheim stuk.

Na de presidiumvergadering wordt het rapport op de website openbaar gemaakt; de gemeenteraad neemt een motie van treurnis aan.

Het gemeenteraadslid vordert een verklaring voor recht dat hij niet in strijd heeft gehandeld met artikel 2:4 Awb of de lokale bedragscode alsmede een verklaring voor recht dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld. De gemeente heeft zijn goede naam aangetast door het rapport zonder vooroverleg te publiceren en door in de motie van treurnis de conclusies van het rapport over te nemen.

De rechtbank overweegt dat een ieder die wist dat het de moeder van betrokkene niet gelukt was om een bouwbestemming te krijgen, de vraag zou hebben opgeworpen of de aankoop van de kinderen van het gemeenteraadslid iets met de wijziging van de bestemming te maken zou hebben gehad. Ten onrechte, mogelijk, maar dat gebeurt nu eenmaal in een dorpsgemeenschap. De rechtbank verwerpt het standpunt van het raadslid dat de inzending van de zienswijze aan hem gemeld had moeten worden; de gemeente heeft het stuk behandeld als wat het was, namelijk als zienswijze, en dat was juist.

De rechtbank onderschrijft het rapport van de professor dat artikel 2:4 Awb geschonden is: het raadslid is op grond van een persoonlijk belang gaan praten met een persoon die een zienswijze had ingediend met de bedoeling deze zienswijze gewijzigd te krijgen. Dat is een rechtstreekse poging tot beïnvloeding van de besluitvormingsprocedure in verband met een persoonlijk belang. Er was dus sprake van belangenverstrengeling doordat het raadslid op grond van zijn als raadslid opgedane kennis betrokkene ging opzoeken om te voorkomen dat hij in persoon schade zou ondervinden. Dat is in strijd met de gedragscode.

De rechtbank oordeelt verder dat de burgemeester maar aanleiding van het rapport van de professor nooit vooroverleg met het raadslid zou hebben mogen voeren: dan zou immers bijvoorbeeld de indruk zijn gewekt dat de burgemeester het raadslid onder vier ogen te verstaan gaf dat zijn positie in de gemeenteraad in het geding was, danwel dat de burgemeester met het raadslid naging hoe de nadelige gevolgen beperkt konden blijven. Ter vermijding van schijn van partijdigheid kon de burgemeester over het rapport dus zeker niet met het raadslid in gesprek.

Ook is het niet zo dat de professor het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden, zodat de gemeente ook niet onrechtmatig heeft gehandeld door gebruik te maken van een rapport waarin dit beginsel geschonden was. Dit beginsel speelt helemaal geen rol: de professor heeft gebruik gemaakt van de beschikbare stukken en hij heeft over het tot stand komen daarvan, dus omtrent de feiten, navraag gedaan bij betrokkenen van de zijde van de gemeente. De professor heeft geen standpunt gehoord van de betrokkene of van een vertegenwoordiger van de gemeente. Aangezien de professor geen standpunt had gehoord, hoefde hij ook geen wederhoor toe te passen.

Voor het overige heeft de rechtbank geen inhoudelijk oordeel over de motie van treurnis, ook al niet omdat het raadslid in de raadsvergadering zelf het woord heeft kunnen voeren.

Alle vorderingen van het raadslid worden afgewezen.

Rb Gelderland 14 december 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBGEL:2016:6932

Door Rikkert Hoekstra

"

Actualiteiten overzicht