Nieuwsbrief voor overheden

Bevoegdheidsverdeling tussen burgerlijke en belastingrechter. Vordering tot nietigverklaring van overeenkomst met gemeente over opleggen van dagtoeristenbelasting. Bevoegdheid burgerlijke rechter om te beslissen over vordering tot nietigverklaring (artikel 3:40 BW). Waarborgen procedure voor de belastingrechter.

De gemeente Waterland heft dagtoerismebelasting ter zake van het houden van verblijf op Marken door niet-ingezetenen. Belastingplichtig is degene die tegen vergoeding personen naar Marken vervoert tegen een tarief van € 0,50 per dag. De rederij en de gemeente komen overeen dat het aantal personen dat in 2011 tegen betaling naar Marken wordt vervoerd, wordt vastgesteld op 125.000, zodat de rederij verklaart een aanslag ad € 62.500,- te zullen betalen. De rederij ziet af van de aanwending van belastingrechtelijke rechtsmiddelen. Elk geschil uit de overeenkomst zal ter beslechting worden voorgelegd aan de bevoegde rechter te Amsterdam.

De rederij vordert de verklaring voor recht dat de overeenkomst strekt tot een door artikel 233 Gemeentewet verboden afdracht op aangifte, dat de systematiek van de verordening een fixatie van de toeristenbelasting niet toestaat etc.

De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Het hof heeft de rederij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. Daartegen is cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad, maar dat cassatieberoep wordt verworpen.

De Hoge Raad overweegt dat partijen niet vrij kunnen bepalen of de belastingrechter dan wel de burgerlijke rechter van een geschil zal kennisnemen. Uitsluitend de belastingrechter is bevoegd om de juistheid van de aan de rederij opgelegde aanslagen toeristenbelasting te beoordelen, die mede berusten op de overeenkomst. Voor dit geval geldt: ook als de aanslagen worden bestreden met de stelling dat de overeenkomsten waarop zij zijn gebaseerd nietig zijn op gronden die ontleend zijn aan het burgerlijk recht, dan blijft de belastingrechter bevoegd om de juistheid van die aanslagen te beoordelen. De belastingrechter kan in het kader van een beroep tegen een fiscaal besluit mede nagaan of een daaraan ten grondslag liggende overeenkomst met de belastingplichtige rechtsgeldig is en kan ook toetsen aan artikel 3:40 Burgerlijk Wetboek (BW), zo heeft de Hoge Raad eerder uitgemaakt in een arrest d.d. 9 december 2005 (BNB 2006/201).

De Hoge Raad overweegt dat de belastingrechter deze mogelijkheid ook heeft, indien in een overeenkomst wordt afgezien van bezwaar en beroep tegen aanslagen bij de belastingrechter. Wij merken op dat voor al dit soort bedingen in overeenkomsten geldt dat, indien in strijd met dit soort bedingen toch bezwaar of beroep wordt aangetekend, dit misschien wel een niet-nakoming van de overeenkomst oplevert, maar dat dit in zoverre niet ter zake doet dat het bezwaar of beroep wel geldig is.

De Hoge Raad concludeert dat de rederij de juistheid van de belastingaanslagen ter discussie wil stellen: dat had de rederij moeten doen in een procedure bij de belastingrechter, zodat haar vordering door de burgerlijke rechter terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

HR 16 juni 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:HR:2017:1103

Door Rikkert Hoekstra

"

Actualiteiten overzicht