Nieuwsbrief voor overheden

Sinds de invoering van de nieuwe Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), lijken gemeenten te worstelen met de toepassing op individuele gevallen. Een veelvoorkomend thema is de toekenning van huishoudelijke hulp. Daarbij lijkt voornamelijk de (her)indicatie voor huishoudelijke hulp moeilijkheden op te leveren. Specifiek de inhoud van de beleidsregels waarop deze (her)indicatie door gemeenten wordt gebaseerd, kan nog niet altijd rekenen op een positieve beoordeling door de Centrale Raad. Ter verduidelijking zullen hierna daarom een aantal uitspraken van de Centrale Raad over dit onderwerp worden besproken.

Ik verwijs naar jurisprudentie van de Centrale Raad van onder meer 11 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4262) en 27 januari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:430). In deze uitspraken herhaalt de Centrale Raad zijn eerder gehanteerde overweging dat:

“5.1.2 De vrijheid die het college heeft om met het oog op de uitvoering van de Wmo de onder 5.1.1 genoemde keuzen te maken brengt mee dat het college op grond van artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevoegd is om ter zake van die keuzen beleidsregels vast te stellen. Deze keuzen kunnen ook betrekking hebben op het stellen van tijdsnormen voor huishoudelijke verzorging. Deze normen mogen echter niet willekeurig zijn en dienen, gelet op de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb, op objectieve criteria te steunen.”

Oftewel: het college is bevoegd om beleidsregels vast te stellen aan de hand waarvan de Wmo wordt uitgevoerd.

De normen die worden opgenomen in dergelijke beleidsregels moeten echter wel gebaseerd zijn op objectieve criteria, welke moeten worden ontwikkeld naar aanleiding van gericht onderzoek. Uit de hiervoor genoemde uitspraken volgt dat de Centrale Raad een verwijzing naar overleg met de Wmo-Raad of zorgaanbieders, het beleid van andere gemeenten of protocollen van de schoonmaakbranche niet aanmerkt als gericht onderzoek.

Meer recent heeft de Centrale Raad op 18 mei 2016 een tweetal uitspraken gedaan over huishoudelijke hulp. Opnieuw oordeelt de Centrale Raad dat de getoetste beleidsregels van (ditmaal) de gemeenten Utrecht en Rotterdam onvoldoende duidelijkheid bieden. De Centrale Raad heeft omschreven waarop gemeenten de beleidsregels dienen te baseren:

“objectief, door onafhankelijke, geen belang bij de uitkomst hebbende, derden te verrichten onderzoek zou moeten berusten. Nu de in de Beleidsregels genoemde maatstaven voor een schoon en leefbaar huis niet op zodanig onderzoek berusten, bestaat geen inzicht in de vraag welk niveau van schoon voor een huishouden verantwoord is, welke concrete activiteiten daarvoor verricht moeten worden, hoeveel tijd daarvoor nodig is en met welke frequentie deze activiteiten verricht moeten worden om te kunnen spreken van een schone en leefbare woning.”

Uit de uitspraken van de Centrale Raad maak ik op dat voornamelijk van belang is dat gemeenten in de beleidsregels omschrijven wat wordt verstaan onder een schone en leefbare woning. Een dergelijke omschrijving lijkt nog niet zozeer het probleem. Lastiger lijkt het om aan te geven met welke frequentie huishoudelijke hulp moet worden gegeven en hoe dit resultaat moet worden bereikt. Gemeenten lijken in de beleidsregels veelal aan te sluiten bij de urennormen die eerder werden gehanteerd. Uit de uitspraken van de Centrale Raad blijkt nu dat een dergelijke aansluiting onvoldoende is indien de normen niet worden onderbouwd met objectief en onafhankelijk onderzoek. Wat wel voldoende is, zal in de praktijk moeten worden uitgekristalliseerd.

Uit voornoemde uitspraken blijkt in ieder geval dat de Centrale Raad nu op de lijn zit dat, indien objectief en onafhankelijk onderzoek ontbreekt, hij zelf in de zaak voorziet. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij de laatste niet meer in geschil zijnde indicatie en/of het CIZ (Centrum Indicatiestelling Zorg) Protocol Huishoudelijke Verzorging.

CRvB 18 mei 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2016:1402 en ECLI:NL:CRVB:2016:1491.

Door mr. M.E. Blesgraaf

"

Actualiteiten overzicht