Nieuwsbrief voor overheden
De vervulling van opschortende en ontbindende voorwaarden en het beletten van die vervulling blijft de gemoederen binnen overheidsland bezig houden. In een arrest van 5 februari 2016 oordeelt de Hoge Raad over schending van een koopoptie betreffende een perceel bouwgrond in de gemeente Sittard-Geleen. De gemeente stelde zich op het standpunt dat ze niet gehouden was een koopovereenkomst met eiser aan te gaan, omdat aan een tweetal voorwaarden voor de aankoop niet was voldaan. Het betrof onder meer een voorwaarde dat meer dan 50% van het te realiseren kantoorpand verhuurd moest zijn.
Eiser in deze zaak stelde dat de gemeente gehouden was het perceel aan haar te verkopen en vorderde schadevergoeding van de gemeente, omdat de gemeente geen koopovereenkomst met haar was aangegaan.
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen, maar in hoger beroep oordeelt het hof dat de gemeente voor de helft van de gevorderde schade dient in te staan. In hoger beroep kwam namelijk uit getuigenverhoren naar voren dat het door eiser te bouwen gebouw verhuurd zou worden aan de thuiszorginstantie, maar dat de thuiszorginstantie, mede naar aanleiding van contact met de gemeente, had afgezien van de huur. De gemeente had verder beleid ontwikkeld om o.a. thuiszorginstanties te huisvesten op een gecentraliseerde zorgboulevard. Het contact, gelegd op basis van het beleid, had het gevolg dat de thuiszorginstantie afhaakte en daarom niet aan de 50%-verhuurvoorwaarden werd voldaan. Dit maakte volgens het hof dat de gemeente verantwoordelijk was voor het niet-vervullen van de ontbindende voorwaarde (artikel 6:23 BW).
Dat artikel (6:23 BW lid 1 BW) houdt in dat wanneer een partij belang heeft bij het niet-vervullen van een contractuele voorwaarde en het vervullen daarvan belet, de voorwaarde op grond van de redelijkheid en billijkheid toch als vervuld kan worden beschouwd.
Het oordeel van het hof hield in cassatie geen stand. De Hoge Raad oordeelde dat de thuiszorg zich immers niet uitsluitend door toedoen van de gemeente had teruggetrokken. Aan het besluit van de thuiszorginstantie lag mede een destijds reeds voorgenomen fusie met een andere instantie ten grondslag. De situatie dat de thuiszorginstantie zich had teruggetrokken en dus niet aan de 50%-verhuurvoorwaarden was voldaan, zou volgens de Hoge Raad ook zonder inmenging van de gemeente zijn ontstaan. Verder had de gemeente zich niet hoeven onthouden van beleidsplannen met betrekking tot de zorgboulevard.
Een en ander maakt dat de Hoge Raad oordeelt dat de gemeente het vervullen van de 50%-verhuurvoorwaarden niet heeft belet en dat het niet-vervullen van die voorwaarden daarom niet aan de gemeente kan worden toegerekend in de zin van artikel 6:23 BW.
Dit arrest laat zien dat er sprake moet zijn van een ‘toedoen’ van de partij die bij het niet-vervullen belang heeft, wil artikel 6:23 BW met succes kunnen worden ingeroepen. Eerdere voorbeelden daarvan zagen we in een arrest aangaande de gemeente Hof van Twente, waarin de Hoge Raad oordeelde dat de gemeenteraad autonoom is en het handelen van het college niet kan maken dat de gemeenteraad zich niet langer op een ontbindende voorwaarde mag beroepen (HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1737).
HR 5 februari 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:HR:2016:200
Door mr. R.M. Pieterse
"