Nieuwsbrief voor overheden

Zo af en toe komt het voor dat een partij uitsluitend een procedure voert om een bepaalde uitspraak van de rechter te ontlokken. In dit geval was het netbeheerder Liander die eerst de kantonrechter en daarna het hof benaderde. Liander werd in beide procedures in het ongelijk gesteld. De uitspraak van het hof geeft voor wat betreft de uitleg van de Wet informatieuitwisseling ondergrondse netten (WION) en de daarop gebaseerde besluiten en richtlijnen een verduidelijking.

De kwestie zoals die speelde in het geval van Liander was als volgt. In 2013 kreeg een grondwerkbedrijf de opdracht om onder meer een oude damwand te renoveren. Dit diende te gebeuren door aan de waterzijde van de oude damwand een nieuwe damwand te plaatsen. Het grondwerkbedrijf deed voorafgaand aan de uitvoering een KLIC-melding. Op de van Liander ontvangen KLIC-tekening was een middenspanningsleiding aangegeven. Vervolgens heeft het grondwerkbedrijf twee proefsleuven gegraven, waarbij de kabel beide keren werd aangetroffen overeenkomstig de KLIC-tekening (aan de landzijde achter de oude damwand). Bij het plaatsen van de nieuwe damwand werd de leiding toch geraakt. De leiding bleek precies tussen de twee proefsleuven meer dan een meter af te wijken van de tekening en zelfs onder de oude damwand door te lopen. De schade van Liander bedraagt ongeveer € 4.000,-.

Liander stelt zich op het standpunt dat het grondwerkbedrijf niet had kunnen volstaan met het lokaliseren van de leiding op één of twee punten, maar dat zij over het hele tracé de ligging van de kabel had moeten vaststellen. Het is, aldus Liander, voor een netbeheerder namelijk niet mogelijk om te voldoen aan de eisen die de wetgever in de WION aan KLIC-tekeningen stelt, namelijk de eis dat geen afwijkingen van meer dan één meter mogen voorkomen. Liander doet daarbij een beroep op de jurisprudentie van vóór de WION en een richtlijn van het CROW. Het grondwerkbedrijf meent dat zij aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan en dus niet aansprakelijk is.

Het hof stelt voorop dat de wetgever met de invoering van de WION heeft gepoogd om meer evenwicht te brengen in de verantwoordelijkheidsverdeling tussen grondroerders en kabel- en leidingbeheerders. In dit verband heeft de wetgever de minimumeisen waaraan grondroerders moeten voldoen, zoals deze reeds volgden uit de jurisprudentie, vastgelegd. Het grondwerkbedrijf heeft aan deze eisen, waaronder het doen van een KLIC-melding en het graven van proefsleuven, voldaan, aldus het hof. Liander vraagt volgens het hof of van een grondroerder kan worden verwacht dat zij meer zorgvuldigheid betracht dan het voldoen aan de minimumeisen. Het hof meent dat het antwoord op die vraag afhankelijk is van alle omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke situatie en de nauwkeurigheid van de KLIC-tekening waarvan de grondroerder mocht uitgaan. Ten aanzien van dit laatste stelt het hof vast dat grondroerders sinds de inwerkingtreding van de WION mogen verwachten dat KLIC-tekeningen op één meter nauwkeurig zijn. Dit volgt uit artikel 5 lid 2 Besluit informatie-uitwisseling ondergrondse netten (BION). Deze verwachting geldt ook in deze kwestie, omdat er geen concrete gegevens bekend waren waaruit het grondwerkbedrijf had moeten afleiden dat de kaart onvoldoende nauwkeurig was. De CROW-richtlijn wordt door het hof aangemerkt als een best practice-regel. Het niet opvolgen van een dergelijke regel is niet zonder meer onzorgvuldig, zodat van de grondroerder niet in alle gevallen mag worden verwacht dat hij de volledige loop van een kabel of leiding nagaat.

Het hof merkt tot slot op dat het bepaalde in artikel 5 lid 2 BION ertoe leidt dat grondroerders minder snel aansprakelijk zullen zijn dan voorheen. Het enkele gegeven dat een kabel of leiding niet binnen de één metergrens ligt is echter niet voldoende voor de conclusie dat de grondroerder niet aansprakelijk is. Het hof besluit het arrest dan ook met de woorden: “Het zal (…) blijven aankomen op de feitelijke situatie.”

Hof Amsterdam 20 september 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHAMS:2016:3860

Door mr. A.A. Broekman-de Feijter

"

Actualiteiten overzicht