Nieuwsbrief voor overheden

Op 21 juli 2013 heeft de politie Amsterdam-Amstelland een zogenoemde snordersactie in burger gehouden met als doel om illegale taxichauffeurs (“snorders”) aan te pakken. Appellant is op die dag aangehouden en verhoord omdat hij taxivervoer verrichtte zonder de vereiste vergunning. De politieambtenaren die hem aanhielden hebben proces-verbaal opgemaakt van hun bevindingen. In het proces-verbaal is opgenomen dat enkele mannen verklaren bij hun vriend in de auto te zijn gestapt, maar ook dat prijzen zijn genoemd en dat het er alle schijn van heeft dat er voor de taxirit betaald werd. De officier van justitie heeft op 29 november 2013 laten weten niet tot strafrechtelijke vervolging over te gaan omdat daarvoor onvoldoende wettig bewijs is. Dit argument wordt door appellant voor het College van Beroep ingeroepen.

Het College van Beroep overweegt dat de minister in het kader van zijn bevoegdheid tot het opleggen van een dwangsom, bij de beoordeling van de geconstateerde overtreding niet gebonden is aan de bewijsregels van het strafrecht. Dat appellant niet strafrechtelijk is vervolgd wil niet zeggen dat in het bestuursrechtelijke geding voor de gestelde overtreding onvoldoende bewijs is. Van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal mag in beginsel worden uitgegaan. Appellant heeft niets aangevoerd waardoor het College van Beroep aan de juistheid van het proces-verbaal twijfelt. Het College van Beroep oordeelt dan ook dat de minister bevoegd was om een last onder dwangsom op te leggen en verklaart het beroep ongegrond.

CBB 16 februari 2015, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CBB:2015:34

Door mr. drs. A. Schreijenberg

"

Actualiteiten overzicht