Nieuwsbrief voor overheden
Een ambtenaar van een gemeente was werkzaam op de afdeling die verantwoordelijk was voor de waardering van objecten binnen de gemeente. In 2013 kreeg hij een waarschuwing voor het in circa drie gevallen vervalsen van de handtekening van een externe taxateur onder taxatierapporten. Kort daarna deed hij namens de gemeente opgave aan de Waarderingskamer over het beschikken van objecten. In die opgave bleken onjuistheden te zitten waardoor de Waarderingskamer ten aanzien van de gemeente tot een onjuiste conclusie over de kwaliteit van de processen is gekomen. Naar aanleiding van een extern signaal dat de gegevens van de Waarderingskamer niet juist konden zijn heeft de Waarderingskamer een herinspectie aangekondigd. In de voorbereiding hierop is vanuit de gemeente een gesprek gevoerd met betrokkene en is hij geconfronteerd met zijn onjuiste opgave. Betrokkene is vervolgens onvoorwaardelijk strafontslag opgelegd wegens zeer ernstig plichtsverzuim. Daarover wordt uiteindelijk geprocedeerd tot bij de Centrale Raad. In die procedure wordt als vaststaand aangenomen dat in de opgave door betrokkene inderdaad onjuistheden zaten. Het aanvankelijk gemaakte verwijt dat betrokkene deze fouten willens en wetens had gemaakt, wordt in de loop van de procedure losgelaten. Wel wordt betrokkene verweten dat hij geruime tijd van de onjuistheid van de aangeleverde gegevens heeft geweten, dat hij daar niet zelf contact over heeft gezocht met zijn leidinggevende, maar dat hiervoor een signaal van een externe partij noodzakelijk was. Betrokkene heeft dus niet zelf openheid van zaken gegeven, terwijl dat wel van hem verwacht mocht worden.
De Centrale Raad overweegt dat betrokkene, ondanks zijn jarenlange ervaring en deskundigheid op de het terrein van de WOZ, geen blijk heeft gegeven van het besef dat de gemeente juiste cijfers dient te verstrekken aan de Waarderingskamer. Deze cijfers zijn ook van belang voor andere externe partijen, zoals de belastingdienst. De Centrale Raad is van oordeel dat het college betrokkene terecht heeft verweten dat hij bij herhaling niet in staat is gebleken zijn functie op een betrouwbare wijze uit te voeren. Betrokkene heeft daarmee naar het oordeel van de Centrale Raad gehandeld in strijd met de eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid. Hij heeft daardoor het in hem te stellen vertrouwen in ernstige mate geschonden en het aanzien van de gemeente schade toegebracht. De Centrale Raad spreekt dan ook uit dat de aan betrokkene opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag in de gegeven omstandigheden niet onevenredig is aan het plichtsverzuim.
Als plichtsverzuim wordt aangemerkt het overtreden van een voorschrift, alsmede het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Een wijze van uitoefenen van de functie kan leiden tot de conclusie dat de ambtenaar ongeschikt is voor die functie (anders wegens ziekte of gebreken), maar leidt niet snel tot de conclusie dat de ambtenaar door taakverwaarlozing of plichtsverzaking ook tuchtrechtelijk strafbaar plichtsverzuim heeft begaan. Een voorbeeld van een geval waarin plichtsverzaking leidde tot strafontslag is een uitspraak over een griffier die een uitspraak aan de rechter had voorgelegd ter ondertekening, wetende dat die rechter een ander dictum wilde (CRvB 7 maart 2013, BZ3512). Ook in die zaak sprak de Centrale Raad uit dat het handelen van de griffier in strijd was met de eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid. Andere uitspraken in deze categorie gaan meer in de richting van taakverwaarlozing en zagen bijvoorbeeld op omvangrijke onregelmatigheden bij de afgifte van parkeervergunningen (CRvB 18 oktober 2007, BB6600), onzorgvuldig kasbeheer en het verdoezelen van tekorten (CRvB 17 april 2008, BD0927) en grote onregelmatigheden bij de inkoop van goederen en diensten (CRvB 22 oktober 2015, 2015: 3671). De verwantschap met ontslag wegens disfunctioneren komt tot uiting in het feit dat in dit soort gevallen vaak belang toekomt aan het feit dat betrokkene reeds was gewaarschuwd (CRvB 25 augustus 2005, AU1930 over kasbeheer) of dat sprake is van doorgaand gedrag (CRvB 8 oktober 2015, 2015:3448).
Ook in de uitspraak over de ‘WOZ-ambtenaar’ en de onjuiste opgave aan de Waarderingskamer komt het element van waarschuwing terug. De Centrale Raad overweegt immers op twee plaatsen in de uitspraak expliciet dat betrokkene eerder handtekeningen had vervalst, zonder daar verder op in te gaan. De onjuiste opgave van de cijfers wordt betrokkene nog niet eens zo zeer aangerekend, maar wel de houding van betrokkene nadat deze onjuistheid bij hem in elk geval bekend moet zijn geweest. Deze houding breekt de ambtenaar uiteindelijk dus op.
CRvB 30 juni 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2016:2524
"