Nieuwsbrief voor overheden

Overheidsaansprakelijkheid. De gemeente heeft op goede gronden de overeenkomst met eigenaar kantoorpand ontbonden en verdere planologische medewerking gestaakt.

De eigenaar van een kantoorgebouw in de gemeente Nijmegen sluit een bevoegdheden-overeenkomst waarbij de gemeente de inspanningsverplichting op zich neemt om het bestemmingsplan te wijzigen zodanig dat de eigenaar een uitbreiding kan realiseren. Zijn huurder heeft namelijk uitbreidingsplannen. In het ontwerp–bestemmingsplan werd gesteld dat de ontwikkeling vanuit stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaar opriep en dat toevoeging van een vrijstaand kantoorgebouw in het groen op eigen terrein de structuur van de losstaande gebouwen in de straat zou respecteren. De gemeente vraagt de eigenaar tijdens de bestemmingsplanprocedure naar de concrete bouwplannen. Dan blijkt dat de huurder inmiddels is vertrokken. De gemeente staakt daarop in 2013 de procedure. De eigenaar stelt voor de verhuurbaarheid behoefte te hebben aan een groter pand en verwijt de gemeente wanprestatie.

De rechtbank Gelderland wijst de vordering van de ontwikkelaar tot schadevergoeding toe: in de tekst van de overeenkomst is namelijk geen relatie gelegd met het concrete plan van de huurder. De rechtbank heeft getuigen gehoord en mede op grond daarvan geconcludeerd dat de gemeente haar verplichting op zich nam, zonder van de eigenaar te mogen verwachten dat deze het bestemmingsplan binnen korte tijd zou verwezenlijken. Bij het sluiten van de overeenkomst ging het dus niet om een concreet bouwplan voor een bepaalde gebruiker/huurder, aldus de rechtbank.

Het hof Arnhem-Leeuwarden denkt daar anders over. Het hof stelt vast dat de eigenaar koos voor herziening van het bestemmingsplan conform het toen meest recente bouwplan van de huurder. De gemeente had zich op het standpunt gesteld dat door het wegvallen van de huurder de belangrijkste argumenten voor vaststelling waren weggevallen, nu onvoldoende aangetoond kon worden dat er concrete behoefte bestond aan extra kantoorruimte. Het hof oordeelt dat het doorzetten van de planprocedure vanwege bezwaar uit de buurt voor de gemeente een slechte afloop zou kunnen hebben. Er was, aldus de gemeente, strijd met de visie op kantoorlocaties van gemeente en provincie en er was blijkens ingebrachte zienswijzen onvoldoende maatschappelijk draagvlak. Het hof stelt vast dat de overeenkomst is aangegaan onder de ontbindende voorwaarde dat de planologische wijziging tot stand zou komen, dat de inspanningsverplichting niet is geschonden, dat er dus geen wanprestatie is en geen grond om schadevergoeding toe te kennen.

Op de achtergrond speelt dat er aanvankelijk meer bouwmogelijkheden waren dan ten tijde van het tot stand komen van de bevoegdhedenovereenkomst. Volgens de eigenaren waren deze “per abuis” wegbestemd. De eigenaar heeft verzocht om planschadevergoeding, die in natura werd toegekend. Dat leidt er toe dat er in 2016 nieuwe bouwmogelijkheden zijn toegekend, zonder dat is gebleken dat er bezwaren die er in 2013 tegen het ontwerp bestemmingsplan waren, in 2016 niet meer bestonden. Het hof overweegt in dat kader dat aan de eigenaar kan worden toegegeven dat de gemeente in zekere zin inconsequent heeft gehandeld. Die omstandigheid neemt echter op zichzelf niet mee dat de gemeente in juni/juli 2013 niet de bevoegdheid had zich op haar publiekrechtelijke bevoegdheden te beroepen en verdere medewerking aan het ontwerp bestemmingsplan te staken. Dus: de omstandigheden 1. dat er in zekere zin sprake was van herstel van weg bestemde bouwmogelijkheden, en 2. dat uit de feiten bleek dat het wel mee viel met het slecht aflopen van de planprocedure, waren verder niet van invloed op het oordeel.

Gezien vanuit de positie van de gemeente is het raadzaam om, indien een concreet bouwplan of een concrete behoefte van een bepaalde huurder de achtergrond is van totstandkoming van een bevoegdhedenovereenkomst, dit dan ook met zoveel woorden in de overeenkomst op te nemen. Dat voorkomt gedoe achteraf. Hoe dan ook, de vaststelling is dat het hof behoorlijk terughoudend is om aan te nemen dat de inspanningsverplichting van de gemeente geschonden is.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 september 2018, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2018:7971

Door Rikkert Hoekstra

"

Actualiteiten overzicht