Nieuwsbrief voor overheden
De casus
Appellant woont in Bodegraven en verzocht het college om handhavend op te treden tegen de bedrijfsactiviteiten op het perceel van zijn buren. Volgens hem overtreden de buren het bestemmingsplan. Artikel 24.1.2 van het bestemmingsplan ‘Kern Bodegraven’ staat een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit alleen toe als deze ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en wordt uitgevoerd door de bewoner zelf. Volgens appellant is daar geen sprake van. Er zijn namelijk regelmatig werknemers aanwezig die niet in de woning wonen. Daarnaast bezetten bedrijfsauto’s regelmatig de schaarse parkeerruimte.
Het college heeft het verzoek om handhaving afgewezen, omdat uit de controles niet volgde dat sprake is van een overtreding. De rechtbank verklaarde vervolgens het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond.
Hoger beroep
In hoger beroep voerde appellant aan dat de rechtbank de bewijslast te streng had geïnterpreteerd. Hij had immers foto’s en een verklaring van een omwonende overgelegd waaruit volgens hem bleek dat er wel degelijk sprake was van frequente aanwezigheid van werknemers en bedrijfsvoertuigen. Verder is het volgens hem in strijd met de vrije bewijsleer van de Awb om bewijs uitsluitend te baseren op constateringen van toezichthouders en waren deze controles te beperkt en momentopnames.
Het college stelde zich op het standpunt dat de uitgevoerde controles een betrouwbaar beeld gaven van de situaties. Dat werknemers incidenteel langskomen voor overleg of een kop koffie, is volgens het college geen overtreding. Ook wezen de buren van appellant erop dat bedrijfsbussen tegenwoordig elders worden gestald en dat de bezoeken van werknemers vooral een sociaal karakter hebben.
Oordeel van de Afdeling
De Afdeling benadrukt dat handhaving alleen mogelijk is als sprake is van een overtreding. Voor vaststelling van die overtreding is nodig dat relevante feiten en omstandigheden door of door een ter zake deskundige persoon namens het bevoegd gezag worden waargenomen of vastgesteld. Daarnaast moeten de waargenomen feiten op een duidelijke manier worden vastgelegd in bijvoorbeeld een rapportage of met foto’s of ander bewijsmateriaal. Duidelijk moet zijn waar, wanneer en door wie de feiten en omstandigheden zijn vastgesteld of waargenomen en welke werkwijze daarbij is gehanteerd. Voor zover de vastgestelde feiten en omstandigheden in een geschrift zijn vastgelegd, dient een inzichtelijke beschrijving te worden gegeven van hetgeen is vastgesteld of waargenomen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2188, onder 13.4). Het is daarbij niet zo dat alle relevante feiten en omstandigheden daadwerkelijk door toezichthouders zelf dienen te zijn waargenomen. Relevante feiten en omstandigheden kunnen door toezichthouders ook worden vastgesteld, bijvoorbeeld door deze af te leiden uit door hen aangetroffen stukken (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1997, onder 2.3).
Daarbij overweegt de Afdeling dat foto’s en verklaringen van omwonenden op zichzelf niet genoeg zijn om een overtreding vast te stellen, maar als dergelijk bewijs wél de indruk wekt dat sprake is van structurele overtredingen, kan het bevoegd gezag niet volstaan met een paar momentopnames van toezichthouders. Met andere woorden: als burgers met foto’s en verklaringen een bepaald patroon aannemelijk maken, mag het college dat niet zomaar naast zich neerleggen. In dit geval hadden de foto’s en verklaringen aanleiding moeten zijn voor uitgebreider onderzoek naar de aard en frequentie van de bezoeken van werknemers.
Omdat het college dat niet had gedaan, oordeelt de Afdeling dat het besluit onvoldoende zorgvuldig was voorbereid. Het hoger beroep slaagt en het besluit wordt vernietigd.
De uitspraak laat zien dat burgers moeten kunnen vertrouwen op een serieuze beoordeling van hun meldingen bij de gemeente. Zeker als zij met foto’s en verklaringen een patroon zichtbaar maken moet dit aanleiding zijn voor de gemeente dat zij nader onderzoek moeten doen en niet te snel mag concluderen dat geen sprake is van een overtreding.
ABRvS 13 augustus 2025, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2025:3831