Nieuwsbrief voor overheden

Twee kort na elkaar gewezen uitspraken van gerechtshoven bevestigen de complicaties die zich kunnen voordoen bij het ontbinden van (duur-)overeenkomsten. Hoewel de procespartijen geen overheidsinstanties waren, doet de problematiek zich ook daar voor.

De onderliggende casussen zagen op een opdracht tot het aanbrengen van een marmeren vloer- en wandtegels en een opdracht tot het aanbieden van diensten op het gebied van CRM-oplossingen. De overeenkomsten waren aangegaan voor de duur van de voorziene werkzaamheden. In beide gevallen gaf de opdrachtgever aan om diverse redenen ontevreden te zijn, waarna de opdrachtnemer de feitelijke uitvoering stopzette. In de kwestie over de te leveren CRM-oplossingen kwam het gerechtshof Amsterdam op basis van de feiten tot het oordeel dat de opdrachtgever niet rechtsgeldig tot ontbinding van de opdracht kon overgaan en dat de opdrachtnemer dus recht had op schadevergoeding. In de andere kwestie werd aan de opdrachtgever van de aan te brengen tegels schadevergoeding toegekend omdat hij ervan mocht uitgaan dat de opdrachtnemer in de nakoming van zijn verplichtingen zou tekortschieten. Hieruit blijkt reeds dat de feitelijke situatie, althans hetgeen daaromtrent kan worden bewezen, een grote invloed heeft op de uitkomst van een geschil over de voortijdige beëindiging van een opdracht.

Daarnaast blijkt dat partijen zich op het moment dat er sprake is van een geschil, althans onenigheid ontstaat over de uitvoering van de opdracht, niet bewust zijn van de vereisten om te kunnen komen tot een rechtmatige ontbinding. Als namelijk niet aan deze vereisten wordt voldaan, dan is sprake van een opzegging van de overeenkomst. Dit met in sommige gevallen tot gevolg dat de partij die meende wegens wanprestatie van de ander de opdracht te mogen beëindigen ineens schadeplichtig wordt. De vereisten zijn:

  1. de andere partij moet (aantoonbaar) tekort schieten in de nakoming van zijn verplichtingen;
  2. vast dient te staan dat (tijdige) nakoming van de verplichtingen blijvend onmogelijk is, of

de andere partij dient schriftelijk te zijn aangemaand en dient een redelijke termijn te krijgen om alsnog zijn verplichtingen na te komen;

  1. de niet nakoming van de verplichtingen is niet van een zodanige geringe betekenis dat deze ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt;
  2. de andere partij dient schriftelijk te worden medegedeeld dat de overeenkomst wordt ontbonden, of

in een procedure te worden betrokken waarin ontbinding wordt gevorderd.

Verder is het van belang om voordat tot ontbinding wordt overgegaan goed na te denken over eventuele alternatieven, bijvoorbeeld vernietiging van de overeenkomst, en de gevolgen van de ontbinding. Vaak is het namelijk beter om slechts gedeeltelijk te ontbinden.

Hof Amsterdam 19 januari 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHAMS:2016:108

Hof Arnhem-Leeuwarden 26 januari 2016, www.rechtspraak.nl:  ECLI:NL:GHARL:2016:507

Door mw. mr. A.A. Broekman – de Feijter

"

Actualiteiten overzicht