Nieuwsbrief voor overheden
Uitbreiding van het hostel naar de begane grond
Sam Companies exploiteert het Stone Hostel Utrecht op de eerste en tweede verdieping van een pand aan de Biltstraat. Zij vroeg een omgevingsvergunning aan om het hostel uit te breiden naar de begane grond en het restaurant te verkleinen. Het college weigerde de vergunning op grond van artikel 2.20, eerste lid, van de Wabo in samenhang met artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet Bibob: er zou een ernstig gevaar bestaan dat de vergunning mede zou worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. De rechtbank vernietigde het eerste besluit op bezwaar wegens onvoldoende motivering en onderzoek, en droeg het college op binnen acht weken opnieuw te beslissen. Het college kwam met een aangepast besluit van 18 augustus 2023, waarin de weigering overeind bleef, en trok vervolgens zijn eigen hoger beroep tegen de rechtbankuitspraak in.
Van rechtswege beroep blijft bestaan, ook na intrekking van het hoger beroep
Het nieuwe besluit op bezwaar van 18 augustus 2023 werd op grond van artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24, van de Awb van rechtswege onderwerp van het geding. Dat het college zijn hoger beroep tegen de rechtbankuitspraak introk, doet daaraan niet af: het van rechtswege ontstane beroep tegen het nieuwe besluit blijft gewoon bestaan.
Ook het procesbelang van Sam Companies stond ter discussie. De bestuurder van het bedrijf was inmiddels overleden en het hostel werd niet meer geëxploiteerd. De Afdeling oordeelt niettemin dat niet onaannemelijk is dat schade is geleden door de weigering, zodat procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling resteert.
Het risico van steunen op niet-onherroepelijke handhaving
Een groot deel van het Bibob-advies steunde op handhavingsbesluiten die op het moment van de weigering nog niet onherroepelijk waren. Zo betrok het college een bouwstop en een last onder dwangsom van augustus en december 2022 bij de beoordeling. Diezelfde dag oordeelde de Afdeling in een aparte uitspraak (ECLI:NL:RVS:2026:3923) dat de rechtbank deze handhavingsbesluiten terecht had vernietigd, omdat de gestelde overtredingen niet waren aangetoond.
De Afdeling herhaalt haar vaste lijn dat een bestuursorgaan handhavingsbesluiten die nog niet onherroepelijk zijn, in beginsel ten grondslag mag leggen aan een Bibob-weigering, maar daarmee ook het risico aanvaardt dat deze besluiten later worden vernietigd (vgl. ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2294). Dat de vernietiging pas ná het bestreden besluit plaatsvond, maakt dat niet anders: zodra de onderliggende handhaving wegvalt, kan zij niet langer aan de weigering ten grondslag worden gelegd. Voor een tweede last, wegens het zonder vergunning verstrekken van logies op de begane grond, gold hetzelfde: die last was al eerder door de rechtbank herroepen, in een uitspraak waartegen geen rechtsmiddel was aangewend.
Gezag van gewijsde reikt niet verder dan het eigen geschil
Interessant is dat het LBB de logies-overtreding niet alleen baseerde op de herroepen last, maar ook zelfstandig op een proces-verbaal van toezichthouders, dat volgens de rechtbank in de handhavingszaak geloofwaardig bevindingen bevatte over een overnachting op de begane grond. Het college meende dat dit rechterlijke oordeel over de bevindingen ook in de Bibob-procedure kon worden gebruikt.
De Afdeling wijst dit af: een rechterlijk oordeel heeft alleen rechtskracht in het geschil waarin het is gegeven en strekt zich niet uit tot een ander besluit in een ander geschil (vgl. ABRvS 6 december 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ3741). Het college moest dus zelfstandig aannemelijk maken dat sprake was van een overtreding. Op grond van vaste rechtspraak (ABRvS 20 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR2279) is daarvoor niet vereist dat een strafbaar feit onherroepelijk is vastgesteld, maar wel dat het zozeer waarschijnlijk is dat het heeft plaatsgevonden dat het als vaststaand mag worden aangenomen. Die drempel haalde het college hier niet: uit het proces-verbaal bleek weliswaar dat iemand in de ruimte had overnacht, maar niet dat dit bedrijfsmatig gebeurde, wat voor de betreffende Wabo-overtreding wel vereist is.
Wat overblijft, is te mager voor een evenredige weigering
Na het wegvallen van drie van de vier overtredingen resteerde alleen het ernstige vermoeden van twee Drank- en Horecawet-overtredingen uit 2019, waarvoor destijds een last onder dwangsom was opgelegd. De rechtmatigheid van dát besluit stond, anders dan de overige handhaving, wel onherroepelijk vast. Toch is dat volgens de Afdeling onvoldoende: met alleen deze twee, inmiddels al jaren geleden herstelde overtredingen, ontbreekt een deugdelijke motivering waarom de weigering evenredig is met de mate van het gevaar en de ernst van de strafbare feiten, zoals artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob vereist. Het beroep slaagt daarom.
Voor de praktijk is deze uitspraak vooral een waarschuwing aan bestuursorganen die een Bibob-weigering (mede) willen baseren op nog lopende handhavingstrajecten: het is toegestaan, maar het risico van latere vernietiging ligt volledig bij het bestuursorgaan, en werkt door tot in de Bibob-beoordeling zelf. Daarnaast onderstreept de uitspraak dat feitelijke vaststellingen uit een handhavingsprocedure niet zomaar kunnen worden 'meegenomen' naar een Bibob-procedure: ook tussen dezelfde partijen moet iedere procedure haar eigen, zelfstandige onderbouwing hebben.
ABRvS 15 juli 2026, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2026:3925.