Nieuwsbrief voor overheden
Een straatcoach van de gemeente Haarlemmermeer bleek dichterbij het criminele milieu te zitten dan het bevoegd gezag wenselijk en verantwoord vond. Hij onderhield gedurende langere tijd persoonlijk contact met iemand die te boek stond als “topcrimineel”. Aan die persoon verleende de straatcoach onderdak toen hij uit voorlopige hechtenis (overleveringsdetentie) werd geschorst. Ook zou de straatcoach ongewenste persoonlijke contacten hebben onderhouden met een andere crimineel, van wie betrokkene zou hebben gezegd dat hij een jeugdvriend is. Kon deze ambtenaar worden ontslagen?
De Centrale Raad komt tot een andere conclusie dan de rechtbank. Het bevoegd gezag heeft de straatcoach op grond van artikel 8:13 van de CAR/UWO de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd. Subsidiair wordt ontslag gegeven vanwege het verlies van een aanstellingsvereiste op grond van artikel 8:7, onder a, van de CAR/UWO en meer subsidiair ontslag vanwege ongeschiktheid op grond van artikel 8:6 van de CAR/UWO. De werkgever is dus voor drie ankers tegelijk gaan liggen.
Dat blijkt ook wel nodig, want de rechtbank slaat een flink gat in dit besluit. De rechtbank is van oordeel dat een deel van de verweten gedragingen niet is komen vast te staan en/of geen plichtsverzuim opleveren. De vastgestelde gedragingen die wel plichtsverzuim opleveren kunnen de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet dragen. Ook het ontslag wegens het verlies van een aanstellingsvereiste houdt volgens de rechtbank geen stand. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de benoeming van de straatcoach tot buitengewoon opsporingsambtenaar (BOA) een vereiste is om de functie te kunnen vervullen. Het ongeschiktheidsontslag daarentegen blijft wat de rechtbank betreft wel overeind. Betrokkene had vanuit zijn functie kunnen en ook moeten begrijpen dat hij zich had moeten onthouden van vergaande contacten met een crimineel. Bovendien vervulde betrokkene als straatcoach een voorbeeldfunctie voor jongeren. Uit de uitlatingen van betrokkene blijkt dat hij zich niet bewust was van de veiligheidsrisico’s die waren verbonden aan zijn criminele contacten, aldus de rechtbank.
Tegen dit oordeel van de rechtbank stellen zowel het bevoegd gezag, als de straatcoach hoger beroep in.
De Centrale Raad komt tot een zorgvuldig gemotiveerde uitspraak. De Centrale Raad overweegt dat de toepassing van artikel 8:7, aanhef en onder a CAR/UWO de aanwezigheid van een duidelijk en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar aanstellingsvereiste vereist. In verband met de voorwaarden van een “door het bestuur gestelde aanstellingsvereiste” zal ook de rol van het bestuur bij het stellen van de voorwaarden buiten twijfel moeten zijn. Hieraan is bij deze straatcoach voldaan. De Centrale Raad is van oordeel dat aan de straatcoach bij zijn aanstelling uitdrukkelijk en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is kenbaar gemaakt dat de BOA-bevoegdheid een aanstellingsvereiste is. In de van de vacature deel uitmakende profielschets is vermeld dat een straatcoach dient te beschikken over een BOA-diploma of de bereidheid om dit diploma te halen. Betrokkene is eerst aangesteld in tijdelijke dienst om hem in de gelegenheid te stellen zijn BOA-diploma en BOA-bevoegdheid te behalen. In functionerings- en beoordelingsgesprekken is het behalen van het BOA-diploma steeds onderwerp van aandacht geweest en zijn hierover afspraken gemaakt. In de verslagen van deze gesprekken is vastgelegd dat het bezit van een BOA-bevoegdheid een voorwaarde voor het uitoefenen van de functie van straatcoach is. Betrokkene is pas in vaste dienst aangesteld toen hij zijn BOA-diploma had behaald en zijn BOA-bevoegdheid had verkregen. Betrokkene heeft gesteld dat er bij de gemeente Haarlemmermeer ook straatcoaches zonder BOA-bevoegdheid werkzaam waren, maar dit verweer treft geen doel. Naar het oordeel van de Centrale Raad heeft het bevoegd gezag voldoende aannemelijk gemaakt dat diegenen die er niet in slagen om hun BOA-bevoegdheid te verkrijgen, ook daadwerkelijk ontslag wordt verleend. Mede gelet op de grond waarop de staatssecretaris de BOA-bevoegdheid van de straatcoach heeft ingetrokken, te weten het ontbreken van vertrouwen wegens het onderhouden van criminele contacten met de topcrimineel, heeft het bevoegd gezag in redelijkheid kunnen besluiten om betrokkene te ontslaan met toepassing van artikel 8:7, aanhef en onder a, van de CAR/UWO. Hetgeen in het ontslagbesluit nog is overwogen over de ongeschiktheid van betrokkene voor de functie van straatcoach, behoefde geen bespreking meer.
CRvB 20 oktober 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2016:3974
Door Bas de Moor
"