Nieuwsbrief voor overheden
De vordering van een raadslid van een gemeente om voor recht te verklaren dat de conclusies van het rapport van het Bureau Integriteit een deugdelijke grondslag ontberen, wordt afgewezen. Evenmin is er aanleiding om te oordelen dat er strijd is met fundamentele beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid. Ook kan het handelen van het Bureau Integriteit niet worden aangemerkt als een onrechtmatige daad jegens dat raadslid. De reconventionele vordering ter zake de openbare uitlatingen van dat raadslid jegens de onderzoeker van Bureau Integriteit worden wel als een onrechtmatige daad aangemerkt. De gevorderde immateriële schadevergoeding wordt toegewezen tot een bedrag van € 5.000,--.
Na afloop van een raadsvergadering vindt de gebruikelijke borrel plaats. Omstreeks 23.30 uur zet een twaalftal personen het samenzijn voort op een werkkamer van een wethouder. Een week later werden over deze nazit raadsvragen gesteld: was het college van burgemeester en wethouders het ermee eens dat de mededeling van een wethouder inhoudende dat, aan een vrouwelijk raadslid een lesje ten deel zou vallen met de gordijnen dicht en de kleren uit, met opgave van de lengte van het instrument waarmee de wethouder enige handelingen wilde verrichten niet kon worden omschreven als ‘met respect bejegenen’? Naar aanleiding daarvan liet het college een persbericht uitgaan, waarin melding werd gemaakt van de overweging om aangifte te doen wegens smaad. Als voorzitter van de raad nam de burgemeester het besluit om Bureau Integriteit B.V. in te schakelen om een onderzoek in te stellen. In zijn rapport concludeerde het Bureau Integriteit dat het onwaarschijnlijk was dat de vermeende seksuele intimidatie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en gaf het Bureau Integriteit als zijn mening te kennen dat zowel het raadslid als een fractievoorzitter, door de vermeende intimidatie niet aan de orde te stellen bij de burgemeester, maar deze beschuldigingen door de raadsvraag wel openbaar te maken, heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid, één van de kernbegrippen van integriteit. Dit zou ook gelden voor een mede-raadslid.
Eén van de vragenstellers diende vervolgens een klacht in tegen de directeur van Bureau Integriteit, die registeraccountant was. De Accountantskamer heeft de tuchtklacht gegrond geoordeeld en de maatregel van berisping opgelegd. De directeur ging in beroep bij het College van Beroep, maar dat beroep trok hij later in.
Zonder erkenning van aansprakelijkheid sloten deze vragensteller en de gemeente vervolgens een overeenkomst, waarbij door de gemeente aan de vragensteller een bedrag werd toegekend van € 120.000,--. De gemeente verklaarde zich te onthouden van elke mogelijke juridische vervolgprocedure, hetgeen ook werd toegezegd door de vragensteller.
Vervolgens maakte de vragensteller bij de rechtbank Midden-Nederland een procedure aanhangig tegen Bureau Integriteit op grondslag van onrechtmatige daad. Die heeft geleid tot een uitspraak van de rechtbank d.d. 18 oktober 2017.
De rechtbank overweegt dat de uitspraak van de tuchtrechter voor de beoordeling van de civiele aansprakelijkheid niet relevant is: daarvoor worden andere maatstaven gehanteerd.
De onderzoeksopdracht is gegeven door de burgemeester, in samenspraak met de fractie- voorzitters. Dat een aantal personen die de bijeenkomst hadden bijgewoond, hebben geweigerd een verklaring af te leggen, maakt niet dat het onderzoek onzorgvuldig was. Ook de tafelschikking is van belang: wanneer de wethouder de vermeende seksueel intimiderende opmerkingen zou hebben gemaakt, zouden deze door andere aanwezigen gehoord moeten zijn, maar dat was niet het geval. Indien het gehoord zou zijn dat de wethouder dergelijke opmerkingen had gemaakt, dan zou, zo volgt uit een aantal verklaringen, hij tot de orde zijn geroepen. Tijdens de nazit zijn harde opmerkingen gemaakt over zetelroof en verraad, maar dat maakt nog niet dat er sprake is geweest van (seksueel) intimiderende opmerkingen. De opdracht strekte zich niet uit tot de bestuurscultuur en bovendien rechtvaardigden de ernst en de impact van de aantijgingen een kort onderzoek, zodat het niet onjuist is dat de bestuurscultuur niet is onderzocht.
Op verzoek van de gemeente heeft een (voormalig) landelijke partijvoorzitter van de VVD met het onderzoek meegelezen; dat is naderhand door de gemeente ‘minder gelukkig’ genoemd. Op voorstel van deze voorzitter is de eiser als VVD-lid geroyeerd. Bureau Integriteit voert aan dat deze VVD-voorzitter slechts heeft meegelezen, geen inhoudelijk oordeel heeft gegeven, dat hij het rapport niet heeft gewijzigd of laten wijzigen, zodat diens betrokkenheid op het rapport niet van invloed is geweest. Met de gemeente oordeelt de rechtbank dat diens betrokkenheid niet handig was, maar dat, nu niet gebleken is dat de VVD-voorzitter invloed heeft gehad op de conclusies, wordt geoordeeld dat dit enkele feit er niet toe kan leiden dat jegens eiser onrechtmatig is gehandeld.
Tot slot overweegt de rechtbank dat het voor rekening en risico van eiser is dat hij geen medewerking heeft verleend aan het onderzoek. Hij heeft ook geen afdoende verklaring gegeven voor het feit dat hij nagenoeg direct na het indienen van de raadsvragen de media zelf heeft opgezocht. Bepaald niet kan worden uitgesloten dat hij hiermee ook zichzelf in diskrediet heeft gebracht, aldus de rechtbank.
In reconventie eist Bureau Integriteit schadevergoeding, omdat betrokkene onder meer de directeur onrechtmatig heeft aangeduid als een sociopaat en een arrogante integriteitsonderzoeker. Bureau Integriteit zou ‘met de pen van de opdrachtgever’ hebben geschreven.
De rechtbank overweegt dat betrokkene, door te kiezen voor een Twitterbericht, de bedoeling heeft gehad om publiekelijk in een brede kring van willekeurige mensen ruchtbaarheid te geven aan zijn mening. Dat is weliswaar in beginsel niet onrechtmatig, maar door bewust te kiezen voor een vergelijking met een NSB’er en een kampbeul en de overige kwalificaties, heeft hij de eer en goede naam van de directeur geschaad. Het Twitterbericht is daags na Bevrijdingsdag geplaatst. Doordat betrokkene zijn medewerking aan het onderzoek heeft geweigerd, heeft hij de kans laten lopen om zijn kritiek op het onderzoek te uiten en aan te geven hoe hij tegen de kwestie aankijkt. Er wordt aan de directeur een schadevergoeding toegekend tot een bedrag van € 5.000,--. Aan Bureau Integriteit zelf wordt geen schadevergoeding toegekend, maar de rechtbank overweegt in dit kader wel dat het opdoemen van een lijst van klachtzaken tegen Bureau Integriteit onvoldoende is om te kunnen concluderen dat Bureau Integriteit geen goede naam heeft. Het verweer luidde namelijk dat Bureau Integriteit geen goede naam heeft, en dus ook niet in die goede naam geschaad kan zijn.
Commentaar: het is goed mogelijk dat betrokkene toch echt heeft gedacht dat de wethouder zich in een gezelschap seksueel intimiderend heeft uitgelaten, zodanig dat ook anderen dit gehoord zouden moeten hebben. Dat blijkt een misrekening. Dat betrokkene direct met zijn beschuldigingen naar buiten is getreden, komt hem dan ook duur te staan.
Rb Midden-Nederland 18 oktober 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBMNE:2017:5298
Door Rikkert Hoekstra
"