Nieuwsbrief voor overheden
Een gebrekkig besluit van een bestuursorgaan leidt in beginsel tot een onrechtmatige daad. Voor de toekenning van een schadevergoeding is een causaal verband vereist tussen de schade en het onrechtmatige besluit.
Recent heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de vraag hoe moet worden omgegaan met de causaliteit.
In het geval dat voorlag bij de Hoge Raad heeft verweerder een milieuvergunning gevraagd in verband met de herhuisvesting van zijn stoeterij. De gemeente heeft, gelet op de uitspraken van de Afdeling uit 1995, 2001, 2002 en 2003, onrechtmatig gehandeld jegens verweerder door vergunningen te verlenen waaraan gebreken kleefden. Verweerder heeft bovendien de verjaring tijdig gestuit. De gemeente is dus aansprakelijk voor de gebreken aan alle verleende vergunningen.
De gemeente voert onder meer verweer ten aanzien van de vermeende schade, de gebreken aan de vergunning uit 1994 zou niet tot schade hebben geleid voor verweerder. De door de gemeente in 1994 verleende vergunning is door de Afdeling vernietigd op grond van het feit dat de gemeente geen plan had vastgesteld zoals vereist door de Interimwet ammoniak en veehouderij (IAV). De gemeente stelt zich op het standpunt dat zij in 1994 de vergunningaanvraag dus rechtmatig had kunnen weigeren, zodat geen causaal verband bestaat met de schade van verweerder.
De heersende leer van de Hoge Raad (HR 15 juni 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC4193, NJ 1980/261 en HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2598) stelt voorop dat degene die op zijn aanvraag een begunstigend bestuursbesluit (zoals een vergunning) verkrijgt, ervan mag uitgaan dat dit besluit overeenkomstig de wet is genomen en dus niet wegens strijd daarmee aan vernietiging blootstaat. Wordt een begunstigend besluit door de bestuursrechter (onherroepelijk) vernietigd, dan kan de aanvrager daarom op grond van onrechtmatige daad aanspraak maken op vergoeding van de schade die hij daardoor lijdt, mits het bestuursorgaan ook een begunstigend besluit zou hebben genomen indien het wel overeenkomstig de wet zou hebben beslist. Dit laatste zal in beginsel kunnen worden aangenomen als het bestuursorgaan, wanneer het na de vernietiging opnieuw beslist, andermaal een begunstigend besluit neemt en dat besluit, al dan niet na daartegen ingesteld bezwaar en beroep, onherroepelijk wordt. Dit laatste kan echter ook worden afgeleid uit andere omstandigheden.
Volgens de Hoge Raad is het niet beslissend of de gemeente de vergunning rechtmatig had kunnen weigeren, maar welk besluit het zou hebben genomen indien het wel overeenkomstig de wet zou hebben beslist. Er moet dus uitgegaan worden van een hypothetische situatie.
Gezien de intentie van de gemeente om de herhuisvesting van de stoeterij van verweerder mogelijk te maken, het feit dat de gemeente meende dat een beleidsnotitie reeds kon gelden als een ammoniakreductieplan in de zin van de IAV en het feit dat de gemeente in een brief aan verweerder heeft aangegeven dat de gemeente een milieuvergunning mogelijk achtte maakt dat de gemeente ervoor zou hebben zorggedragen dat er een ammoniakreductieplan in de zin van de IAV zou zijn geweest. De gemeente zou de vergunning dus hebben afgegeven.
De overheid kan dus niet volstaan met het verweer dat zij de vergunningsaanvraag rechtmatig had kunnen weigeren. Cruciaal is de vraag welk besluit de gemeente zou hebben genomen. De omstandigheden van het geval, zoals de intentie van de gemeente, spelen bij de beantwoording van die vraag een belangrijke rol.
HR 3 juni 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:HR:2016:1112
Door mw. mr. I. van der Hoeven
"