Nieuwsbrief voor overheden
Een recente uitspraak van de Afdeling laat een duidelijke invulling zien van het causaliteitsvereiste in het kader van onrechtmatige besluitvorming.
In een eerdere nieuwsbrief schreven wij al over het aspect van de causaliteit bij onrechtmatige besluitvorming. Recent heeft de Afdeling overzichtelijk uiteengezet hoe het begrip causaliteit moet worden beschouwd.
In de kwestie die bij de Afdeling voorlag heeft betrokkene het college aansprakelijk gesteld voor schade als gevolg van trage en onrechtmatige besluitvorming. Ter illustratie van de kwestie is daarom een uiteenzetting van het (uitgebreid) gevoerde besluitvormingstraject relevant.
Betrokkene vraagt op 18 november 2008 een milieuvergunning aan. Betrokkene vraagt op 20 november 2008 bouwvergunningen aan voor het oprichten van een bedrijfshal met kantoor, bedrijfswoning, luifels en afscheidingswanden. Bij besluit van 4 maart 2009 heeft het college besloten de aanvraag om bouwvergunning eerste fase aan te houden, vanwege de aangevraagde milieuvergunning. Op 28 oktober 2009 is aan betrokkene de milieuvergunning verleend. Op 1 oktober 2010 heeft het college besloten de aanvraag om bouwvergunning tweede fase niet in behandeling te nemen en de beslissing aan te houden omdat nog niet is beslist op de aanvraag eerste fase.
Per brief van 29 maart 2011 deelt het college aan betrokkene mee dat de aanvraag bouwvergunning eerste fase van rechtswege is verleend. Bij besluit van 29 maart 2011 heeft het college een bouwvergunning tweede fase verleend.
Bij besluit van 21 december 2011 heeft het college de door betrokkene en belanghebbende gemaakte bezwaren tegen de brief van 29 maart 2011 niet-ontvankelijk verklaard en de gemaakte bezwaren tegen de besluiten van 1 oktober 2010 en van 29 maart 2011 ongegrond verklaard en de bouwvergunning tweede fase herroepen.
Bij besluit van 19 maart 2012 heeft het college geweigerd een bouwvergunning eerste fase te verlenen. Bij besluit van 29 augustus 2012 heeft het college het door betrokkene gemaakte bezwaar tegen het besluit van 19 maart 2012 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het door betrokkene ingestelde beroep tegen het besluit van 21 december 2011 gegrond verklaard. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de mededeling van 29 maart 2011 ten onrechte is gedaan. De Afdeling heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd. In het bijzonder heeft de Afdeling overwogen dat het bouwplan in strijd is met het vigerende bestemmingsplan, omdat de noodzaak van de bedrijfswoning niet vaststaat.
Op 19 juli 2012 heeft betrokkene een gewijzigde aanvraag ingediend en kan betrokkene alsnog de uitbreiding van het bedrijf realiseren.
Betrokkene heeft het college vervolgens aansprakelijk gesteld voor schade als gevolg van de trage en onrechtmatige besluitvorming inzake de bouwvergunningen eerste en tweede fase. Indien het college meteen op de aanvraag om bouwvergunning eerste fase een rechtmatig besluit had genomen, had betrokkene geen schade geleden, aldus betrokkene. Betrokkene had een overeenkomst met een investeerder gesloten die als gevolg van het handelen van de gemeente is vervallen (er moest voor eind 2010 een verleende en gepubliceerde bouwvergunning zijn) waardoor betrokkene stelt een schade van ongeveer € 7.500.000 te hebben geleden.
Het college voert het verweer dat door de uitspraak van de Afdeling is komen vast te staan dat het bouwplan in strijd was met het bestemmingsplan, zodat het project nooit had kunnen worden uitgevoerd, en het oorzakelijk verband ontbreekt tussen de onrechtmatige besluitvorming en de gestelde schade.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op dat standpunt gesteld. De rechtbank heeft overwogen dat het vereiste oorzakelijke verband tussen de besluiten van 29 maart 2011 en 21 december 2011 en de gestelde schade ontbreekt.
De Afdeling overweegt onder meer dat niet in geschil is dat het besluit van 29 maart 2011 onrechtmatig is, nu dit wegens strijd met het recht is herroepen bij beslissing op bezwaar van 21 december 2011. Ook dit laatste besluit is onrechtmatig, voor zover daarin niet het bezwaar tegen de mededeling van 29 maart 2011 gegrond is verklaard.
De Afdeling stelt als kader vast dat indien aannemelijk is dat het college ten tijde van het nemen van die besluiten overeenkomstig het recht zou hebben beslist en een rechtmatig besluit zou hebben genomen dat naar aard en omvang dezelfde schade tot gevolg zou hebben gehad, betrokkene geen schade heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige besluiten en mededeling.
Aangezien het college niet positief had kunnen besluiten op de aanvraag omdat het in strijd was met het vigerende bestemmingsplan heeft het college terecht geweigerd een bouwvergunning eerste fase te verlenen. Daar komt bij dat betrokkene op dat moment ook al niet meer voldeed aan de bepaling uit overeenkomst met investeerder dat de vergunningen voor eind 2010 moesten zijn verleend en gepubliceerd. Van vertraging(sschade) is dus evenmin sprake. Er ontbreekt dus causaal verband.
ABRvS 25 januari 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2017:162