Nieuwsbrief voor overheden
Conclusie staatsraad A-G over vertrouwensbeginsel. A-G vindt dat makkelijker moet worden aangenomen dat sprake is van een toezegging die aan het bestuursorgaan kan worden toegerekend en dat het zwaartepunt meer bij de belangafweging zou moeten komen te liggen.
De lijn van de jurisprudentie van de Afdeling over het vertrouwensbeginsel is behoorlijk uitgekristalliseerd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 juli 2012). Die lijn houdt in dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig is dat er een:
- aan het bestuursorgaan toe te rekenen;
- concrete ondubbelzinnig toezegging is gedaan;
- door een daartoe bevoegde persoon;
- waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.
In haar uitspraak van 19 juli 2017 heeft de Afdeling deze lijn aangevuld met de overweging dat ook een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan als het vertrouwen is opgewekt door een niet bevoegde persoon, als de betrokkene op goede gronden mocht veronderstelling dat deze persoon de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte. Over deze uitspraak schreven wij eerder op dit blog.
Desalniettemin zag de Afdeling aanleiding om in een handhavingszaak een conclusie aan de staatsraad A-G te vragen over de uitleg van het vertrouwensbeginsel in handhavingszaken.
De kern van de conclusie van de staatsraad A-G is dat makkelijker aangenomen zou moeten worden dat sprake is van een bevoegd c.q. schijnbaar bevoegd gedane toezegging. Zoals hierboven opgemerkt heeft de Afdeling al geoordeeld dat ook een toezegging die is gedaan door een niet daartoe bevoegde persoon onder omstandigheden kan worden toegerekend aan het bestuursorgaan, maar voor zover mij bekend heeft de Afdeling dat alleen in dat geval aangenomen. De staatsraad A-G vindt dat die lat lager moet worden gelegd, zodat bestuursorganen gestimuleerd worden hun bevoegdheidsverdeling duidelijker te communiceren en hun organisatie beter op orde te hebben.
De nadruk komt dan meer te liggen op de belangenafweging. In deze belangenafweging moeten alle belangen worden afgewogen. De belangenafweging kan ertoe leiden dat opgewekt vertrouwen niet hoeft te worden gehonoreerd. Als de overtreder hierdoor zgn. dispositieschade lijdt, is er aanleiding om dit nadeel te compenseren. De staatsraad A-G gaat in zijn conclusie ook in op wat de wettelijke grondslag voor zo’n compensatie zou moeten zijn.
Het zal interessant zijn om te zien of de Afdeling de aanbevelingen van de staatsraad A-G zal overnemen. Als dat gebeurt, dan kunnen bestuursorganen niet meer leunen op de wetenschap dat uitlatingen gedaan door ambtenaren of individuele bestuurders zelden zal leiden tot een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel.
Conclusie staatsraad A-G 20 maart 2019, www.rechtspraak.nl; ECLI:NL:RVS:2019:896
Door Jaap IJdema
"