Nieuwsbrief voor overheden
Van een ambtenaar wordt in het kader van zijn functioneren verwacht dat hij in staat is om zijn functie met voldoende continuïteit te vervullen. Bij een veelvoud van perioden van (langdurig) ziekteverzuim of verzuim zonder duidelijk aanwijsbare reden is sprake van disfunctioneren, dat kan leiden tot ontslag. De vraag is dan natuurlijk waar precies de grens ligt.
Een ambtenaar was per 15 januari 2013 aangesteld voor bepaalde tijd op proef voor de duur van een jaar bij de provincie Noord-Holland. Tegen het einde van die aanstelling ontving betrokkene de mededeling dat zijn aanstelling met een jaar werd verlengd. Weliswaar werden zijn resultaten als goed/normaal beoordeeld, maar zijn functioneren in de rol van teamsenior vormde hierop een uitzondering. Bij zijn leidinggevenden bestond nog twijfel over het functioneren van betrokkene in die rol. Betrokkene is vervolgens wegens ziekte afwezig geweest van 30 december 2013 tot 29 maart 2014, van 7 juli 2014 tot 13 juli 2014 en vanaf 5 augustus 2014. De arbeidsongeschiktheid bleek in belangrijke mate situatief van aard. Tegen het einde van het tweede jaar van de aanstelling ontving betrokkene dan ook de mededeling dat zijn aanstelling voor bepaalde tijd niet zou worden omgezet in een vaste aanstelling. Als reden werd gegeven dat hij, mede door ziekteverzuim, niet heeft voldaan aan de eisen en/of verwachtingen die in redelijkheid gesteld mochten worden aan hem in de rol van teamsenior.
De Centrale Raad bevestigt vervolgens zijn vaste jurisprudentie. Volgens die vaste rechtspraak wordt een besluit tot het niet voortzetten van een tijdelijk dienstverband na afloop van de proeftijd terughoudend getoetst. Deze toetsing blijft in beginsel beperkt tot de beantwoording van de vraag of het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de betrokken ambtenaar niet aan de door het bestuursorgaan redelijkerwijs te stellen eisen en/of verwachtingen heeft voldaan. Het bestuursorgaan mag redelijkerwijs van een ambtenaar verwachten dat hij met voldoende continuïteit, zonder langdurig ziekteverzuim, zijn functie vervult. In het geval van betrokkene was sprake van onvoldoende continuïteit, en uit informatie van de bedrijfsarts valt af te leiden dat het ook in de toekomst waarschijnlijk aan de redelijkerwijs te verwachten continuïteit zal ontbreken. In dit verband merkt de Centrale Raad nog op dat uit informatie van het UWV van na het einde van het dienstverband blijkt dat het ziekteverzuim van betrokkene heeft voortgeduurd tot 26 juli 2016. Betrokkene had nog gesteld dat zijn bezwaarschrift tegen de beoordeling na het eerste jaar van aanstelling gegrond is verklaard, omdat de daarin opgenomen scores met betrekking tot zijn functioneren onvoldoende met voorbeelden waren onderbouwd. Als die beoordeling wordt weggedacht, kwam betrokkene toen al in aanmerking voor een vaste aanstelling, zo stelt hij. De Centrale Raad overweegt in dit verband dat de aanstelling van betrokkene na het verstrijken van het eerste proefjaar zonder nader besluit heeft voortgeduurd voor één jaar op dezelfde voorwaarden. Het proeftijdkarakter strekt zich ook uit over het tweede jaar van de aanstelling. Een beslissing over ontslag, verlenging of omzetting in een vaste aanstelling, hoefde dan ook niet eerder dan na afloop van de eerste proeftijd te worden genomen.
CRvB 10 november 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2016:4295
Door Bas de Moor
"