Nieuwsbrief voor overheden
Bij de toepassing van de sluitingsbevoegdheid van artikel 13b van Opiumwet staat de bevoegdheid van de burgemeester slechts zelden ter discussie. De vraag of de burgemeester in een specifiek geval in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik kon maken is een andere. Twee recente uitspraken laten zien dat een zorgvuldige belangenafweging het verschil kan maken.
Op 22 mei 2017 deed de voorzieningenrechter van de Afdeling uitspraak in een zaak over de sluiting van een woning in Herkenbosch voor de duur van drie maanden naar aanleiding van de vondst van 48 kilogram softdrugs. Het ging in die zaak om een woning waarin een gezin met vijf minderjarige kinderen woonde. Door de appellanten werd betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester van een ernstig geval mocht uitgaan en dus zonder waarschuwing tot sluiting mocht overgaan. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de burgemeester reeds op grond van de hoeveelheid drugs van een ernstig geval mocht uitgaan. De voorzieningenrechter heeft vervolgens geoordeeld dat de burgemeester de nadelige gevolgen van een sluiting voor het gezin in voldoende mate in zijn afweging heeft betrokken. Daarbij werd in overweging genomen dat de burgemeester zich ervan vergewist heeft dat er een geschikte woning voor het gezin was op een nabij gelegen vakantiepark, maar dat deze woning werd geweigerd, en dat de burgemeester ter zitting heeft aangegeven dat het vinden van woonruimte een eigen verantwoordelijkheid is, maar dat hij ervoor zal zorgen dat de minderjarige kinderen in ieder geval niet op straat zullen komen te staan en zo nodig zullen worden opgevangen.
Een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, die twee dagen na de hiervoor besproken uitspraak werd gewezen, laat zien dat een dergelijke afweging van belangen bepalend kan zijn voor het al dan niet overeind blijven van een sluitingsbevel. In die zaak had de burgemeester van Helmond een woning voor vier maanden gesloten wegens de vondst van meer dan een kilogram harddrugs. De voorzieningenrechter van de rechtbank komt hier net als die van de Afdeling tot de conclusie dat er sprake is van een ernstig geval dat sluiting ineens rechtvaardigt. Ten aanzien van de belangenafweging is de rechtbank kritischer. Uit het besluit blijkt immers niet dat door de burgemeester de belangen van bij de zaak betrokken minderjarige kinderen in aanmerking zijn genomen. De voorzieningenrechter schorst het besluit voor de duur van de bezwaarschriftenprocedure wegens onvoldoende motivering en de onzorgvuldige voorbereiding ervan.
De uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2016 maakte al duidelijk dat van alle omstandigheden van het geval zal moeten worden beoordeeld of die moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht die maken dat het handelen overeenkomstig beleidsregels gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. Uit de twee hiervoor besproken uitspraken blijkt nog eens dat een zorgvuldige belangenafweging in dit soort zaken het verschil kan maken.
ABRvS 22 mei 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2017:1329
Rb Oost-Brabant 24 mei 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBOBR:2017:2927
Door Ad Schreijenberg
"