Nieuwsbrief voor overheden
De gemeente Opmeer schrijft in een beheersverordening voor dat recreatiewoningen en stacaravans op een recreatiepark uitsluitend recreatief gebruikt mogen worden. In aansluiting daarop wordt gebruik uitsluitend toegestaan in het zomerseizoen en niet in het winterseizoen (behalve in de weekenden en de kerstperiode). Op dit punt wijkt de in december 2012 vastgestelde beheersverordening niet af van het in 1993 vastgestelde bestemmingsplan. Ongeveer 150 eigenaren van bungalows en stacaravans op het recreatiepark zijn het hier niet mee eens.
De rechtbank in Noord-Holland oordeelt de vordering dat de wintersluitingsregeling onverbindend zal worden verklaard, ontvankelijk. Immers, het gaat hier om een algemeen verbindend voorschrift: daartegen kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld. Van de burger kan niet worden verlangd dat hij het op een handhavend optreden laat aankomen om een eventuele onverbindendheid door de rechter te laten vaststellen. Daarom kan de burger in gevallen als deze terecht bij de gewone rechter (HR, NJ 1997-165).
Het recreatiepark stelt zich op het standpunt dat de wintersluitingsregeling in strijd is met in artikel 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) neergelegde recht van eigendom. In beginsel mag de overheid niet onteigenen of het recht van eigendom beperken, met dien verstande dat het gebruik van het recht van eigendom wel door bijvoorbeeld een bestemmingsplan gereguleerd mag worden. Maar er zijn grenzen: het recreatiepark stelt dat de noodzaak om het genot van eigendom te beperken ontbreekt en dat de nadelige gevolgen voor belanghebbenden onevenredig zijn in verhouding tot de met de wintersluitingsregeling te dienen doelen.
De rechtbank oordeelt dat, omdat het gaat om een algemeen verbindend voorschrift, bij de toetsing enige terughoudendheid geboden is. Het vonnis luidt dat de regeling niet noodzakelijk is, omdat reeds in de beheersverordening is opgenomen dat permanente bewoning niet is toegestaan. Onvoldoende onderbouwd is dat de regeling nodig c.q. wenselijk zou zijn om het recreatieve karakter van het park en de rust te waarborgen c.q. om overlast en vandalisme te voorkomen. Uit de verordening noch de toelichting daarop blijkt dat deze belangen een rol hebben gespeeld, aldus de rechtbank. Daaruit blijkt uitsluitend dat de regeling is opgenomen als middel om permanente bewoning te voorkomen. Ook los daarvan zijn de argumenten ondeugdelijk: tijdens de weekenden en de kerstperiode is het gebruik ’s winters onbeperkt toegestaan, terwijl het recreatiepark niet is gelegen in of bij een natuurgebied waardoor natuur en landschap mogelijk beschermd zouden moeten worden. Niet inzichtelijk is gemaakt op welke manier de regeling de gestelde belangen dient, bezien in het licht van hetgeen in de winter wel is toegestaan.
Dat de regeling dient ter vermindering van druk op de voorzieningen, gaat er ook niet in: deze voorzieningen zijn eigendom van het recreatiepark. Geoordeeld wordt daarom dat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt dat het noodzakelijk is om door middel van een wintersluitingsregeling het gebruik van eigendom te reguleren, alsmede dat de nadelige gevolgen, namelijk de beperking van het eigendomsrecht, niet evenredig zijn in verhouding tot de met de regeling te dienen doelen van algemeen belang.
Dit is een opmerkelijke uitspraak in twee opzichten: het komt niet vaak voor dat een algemeen verbindend voorschrift door de rechter, en dan nog wel de burgerlijke rechter, onrechtmatig wordt geoordeeld, en ook slaagt een beroep op het eigendomsrecht als gewaarborgd in artikel 1 Eerste Protocol EVRM zelden. Maar in beide opzichten laat deze uitspraak naar onze verwachting (het begin van) een trend zien, omdat dit artikel en in het verlengde daarvan de rechtmatigheid van algemeen verbindende voorschriften steeds meer in de belangstelling staat.
Rb Noord-Holland 16 september 2015, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBNHO:2015:8368
Door mr. U.T. Hoekstra
"