Nieuwsbrief voor overheden

Volgens artikel 226, eerste lid, van de Gemeentewet (Gemw) kan ter zake van het houden van een hond hondenbelasting worden geheven. Maar kan deze hondenbelasting ook worden geheven als de houder van die hond een niet-natuurlijk persoon is maar een besloten vennootschap (B.V.)? De Hoge Raad heeft hier onlangs duidelijkheid over gegeven.

De zaak betrof het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Molenwaard tegen de uitspraak van het hof ‘s-Gravenhage van 7 september 2015 (ECLI:NL:GHDHA:2015:2613). Belanghebbende is bestuurder en enig aandeelhouder van een B.V. die zich richt op ‘Akker- en/of tuinbouw in combinatie met het fokken en houden van dieren’.

Bij aanvang van belastingjaar 2014 was belanghebbende eigenaar van drie honden. Eén daarvan betrof een Dwergschnauzer teef die belanghebbende op 16 januari 2014 verkocht aan zijn B.V. Vervolgens diende belanghebbende op 27 maart 2014 namens de B.V. een aangifteformulier hondenbelasting in, waarin werd vermeld dat de B.V. per 16 januari 2014 eigenaar was geworden van de hond.

Vervolgens heeft de heffingsambtenaar met dagtekening 30 april 2014 aan belanghebbende voor het belastingjaar 2014 een aanslag ‘3e hond’ hondenbelasting opgelegd ter zake van het houden van de hond.

In de Verordening Hondenbelasting 2014 van de gemeente werd als houder van een hond aangemerkt ‘degene die onder welke titel dan ook een hond onder zich heeft, tenzij blijkt dat een ander de houder is’.

Is belanghebbende na verkoop van de hond aan de B.V. nu aan te merken als de houder van de hond?

Volgens het hof is voor het houderschap het uitoefenen van de feitelijke macht doorslaggevend. De B.V. is op 16 januari 2014 houder van de hond geworden. Volgens het hof kan uit de tussen belanghebbende en de B.V. gesloten overeenkomst (en evenmin uit enig ander feit) worden afgeleid dat de hond na de levering in bezit van belanghebbende is gebleven. Belanghebbende is na de levering van de hond aan de B.V., deze niet voor de B.V. gaan houden.

Het college stelde in cassatie dat bij de toepassing van artikel 226, eerste lid, Gemw het houden van een hond in de zin van die bepaling naar zijn aard enkel is voorbehouden aan natuurlijke personen, omdat alleen natuurlijke personen de macht kunnen uitoefenen over een hond.

Volgens de Hoge Raad is dit niet het geval. De stelling van het college gaat volgens de Hoge Raad uit van een onjuiste opvatting omtrent het begrip ‘houden’. Het beroep in cassatie van het college is dan ook ongegrond.

HR 3 juni 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:HR:2016:1035

Door mr. B. de Smit

"

Actualiteiten overzicht