Nieuwsbrief voor overheden

De omzet van een in de gemeente Amstelveen gevestigde bloemist zakt in de jaren 2000 tot 2011 zodanig dat de bloemist in augustus 2011 zijn winkel moet sluiten. De oorzaak hiervoor is volgens de bloemist gelegen in een tuinbouwbedrijf dat vanwege overtreding van de geldende bestemming illegaal ook bloemen verkocht. De bloemist verwijt de gemeente dat deze tegen de overtreding van het bestemmingsplan onvoldoende handhavend is opgetreden. Het tuinbouwbedrijf kweekt drie soorten rozen en hortensia’s; volgens zijn website verkoopt zij meer dan vijftig verschillende soorten bloemen. Bij gelegenheid worden ook kerststukken en rouwboeketten verkocht.

Verschillende detailhandelaren verzochten handhavend op te treden. In 2005 werd ook een voornemen kenbaar gemaakt tot het opleggen van een dwangsom, maar daarvan heeft de gemeente afgezien onder de voorwaarde dat geen bloemen zouden worden verkocht die niet uit eigen teelt afkomstig waren. In 2007 stelde de gemeente naar aanleiding van een handhavingsverzoek dat handhaving niet eenvoudig was; met name de controle op verkoop van wel of geen eigen kweek zou lastig zijn. De gemeente heeft het tuinbouwbedrijf wel in de gaten gehouden, maar moest constateren dat haar optreden niet het gewenste effect had. Twee preventieve lasten onder dwangsom werden niet geëffectueerd na het beloofde beterschap. Bij een handhavingsbezoek in 2009 werd geconstateerd dat de verkoop uit niet-eigen teelt slechts een klein percentage betrof.

De rechtbank Amsterdam overweegt dat er een beginselplicht tot handhaving bestaat, die begrensd wordt door een in het licht van doel en strekking van de overtreden bepaling redelijk te achten handhavingsbeleid.

De gemeente heeft verklaard dat in de dagelijkse praktijk keuzes moeten worden gemaakt ten aanzien van de terreinen waarop wordt gehandhaafd; de gemeente kent prioriteit toe aan de handhaving van veiligheidsnormen. Het bestemmingsplan wordt slechts gehandhaafd, indien er een concreet handhavingsverzoek voorligt.

De rechtbank overweegt dat ruimtelijke ordening niet strekt tot regulering van concurrentieverhoudingen; anderzijds mogen inwoners van de gemeente erop vertrouwen dat het bestemmingsplan wordt gehandhaafd. Vanwege het belang van de rechtszekerheid wordt het beroep van de gemeente op het ontbreken van de relativiteit verworpen: de bloemist mag wel rekenen op een goede handhaving, ongeacht de strekking van de onderliggende voorschriften.

De met de handhaving te dienen belangen zijn echter wel een relevante omstandigheid bij de beoordeling of de gemeente de zorgplicht jegens de bloemist heeft geschonden. Voor de burgerlijke rechter gaat het erom of de gemeente in de omstandigheden en met de kennis van toen in redelijkheid tot haar handelen heeft kunnen komen, waarbij terughoudendheid moet worden betracht bij de beoordeling van de vraag of de beginselplicht tot handhaving is geschonden. Deze beginselplicht heeft de beleidsvrijheid van de gemeente weliswaar beperkt, maar niet ongedaan gemaakt.

De rechtbank stelt vast dat er gedurende de gehele periode een consistent klachtenpatroon is geweest van detailhandelaren binnen de gemeente, naar aanleiding waarvan de gemeente zich heeft beperkt tot de eerder genoemde toezicht- en handhavingsacties. Dit was misschien wel te terughoudend; de gemeente heeft te veel gewaarschuwd zonder echt op te treden. Daar staat tegenover dat de gemeente niet helemaal heeft stil gezeten. De bloemist heeft zelf ook geen handhavingsverzoek ingediend. Alles afwegend oordeelt de rechtbank dat de gemeente zich in dit concrete geval in redelijkheid heeft kunnen beperken tot de door haar toegelichte mate van handhaving van het bestemmingsplan. De gemeente heeft dus niet onrechtmatig gehandeld.

Rb. Amsterdam 15 januari 2014, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBAMS:2014:500

"

Actualiteiten overzicht