Nieuwsbrief voor overheden
Aansprakelijkheidsrecht. Beschadiging boom die niet noodzaakt tot vervanging. Kosten van maatregelen tot ondersteuning en bevordering van zelfherstel. Vergoeding van ander nadeel. Begroting schade op grond van in het verleden gemaakte kosten: omdat die hun doel hebben gemist? Verschil met HR 28 januari 2005. Kan begroting toekomstige schade bij voorbaat geschieden op de voet van artikel 6:105 BW?
Bij graafwerkzaamheden beschadigt een aannemer de wortels van een zomereik, die eigendom is van de gemeente Heiloo. Overeenkomstig de richtlijnen van de Vereniging van Taxateurs van Bomen wordt de schade begroot op een bedrag van circa € 5.000,-. De kantonrechter gelast in een tussenvonnis een deskundigenbericht. Met succes wordt tussentijds hoger beroep ingesteld tegen dit tussenvonnis.
Het hof overweegt onder meer dat het nuttig is om een rekenmodel op te stellen waarmee schade aan gewone park-, laan-, en straatbomen kan worden vastgesteld, welke schade frequent en op grote schaal voorkomt. Immers, voor dergelijke bomen is geen handelswaarde bekend en ook is onmiddellijke vervanging door een gelijkwaardig exemplaar niet direct mogelijk. Het nadeel dat de eigenaar van een boom als gevolg van de beschadiging lijdt, bestaat hoe dan ook in de omstandigheid dat volledig herstel in de oorspronkelijke functie onzeker is en tijd vergt. Na de beschadiging blijft de eigenaar enige tijd zitten met een kwetsbaarder en een tijdelijk of blijvend minder toonbare boom. De gezondheid van de boom is dus aangetast, met een risico op uitval, en ook de belevingswaarde van de boom is verminderd. De vraagt rijst of deze schade door het rekenmodel op juiste wijze wordt vastgesteld. De aannemer brengt daar tegen in dat hier ten onrechte wordt geabstraheerd van de vraag of er daadwerkelijk schade is: die schade blijkt eventueel pas veel later, indien blijkt dat de gezondheid van de boom zodanig is aangetast, dat deze na verloop van een aantal jaren dood gaat. Het rekenmodel doet echter, aldus het hof, niets wezenlijk anders dan het begroten van de schade aan de hand van het schatten van goede en kwade kansen. Juist omdat dergelijke beschadigingen in grote aantallen voorkomen en de ruime mate van tijd die zal zijn verstreken voordat duidelijk is geworden of de boom zich al dan niet herstelt, maakt dat een meer algemene aanpak de voorkeur heeft, die niet al te veel ingaat op de concrete omstandigheden van het geval. Immers, als dat wel moet, dan rijst na verloop van tijd de vraag of een eventueel overlijden van de boom nog wel in causaal verband staat met de graafwerkzaamheden etc. Het tijdsverloop maakt dit complex. Het hof heeft tussentijds cassatieberoep opengesteld.
De Hoge Raad stelt vast dat terecht niet in geschil is dat in het geval van beschadiging van een boom die niet noodzaakt tot vervanging, de kosten van maatregelen tot bevordering van het zelfherstel van de boom en andere specifieke kosten, die het directe gevolg zijn van de beschadiging, voor vergoeding in aanmerking komen. Opmerking verdient, aldus de Hoge Raad, dat de ondersteuning en bevordering van zelfherstel ook verantwoord kunnen zijn indien de daarmee gemoeide kosten die van vervanging overtreffen. Het geschil betreft de vraag of naast deze kosten ook ander nadeel voor vergoeding in aanmerking komt en, zo ja, hoe dit moet worden begroot. Dan gaat het om de tijdelijk beperkte functie en de belevingswaarde van de boom, de mogelijke aantasting van de gezondheid en het risico op vervroegde uitval van de boom.
De Hoge Raad overweegt dat de boom tot het moment van de beschadiging de functie die hij voordien had, steeds volledig heeft vervuld en deze nadien ten dele nog steeds vervult. Daarom kan de begroting van de schade niet worden gestoeld op het uitgangspunt dat de in het verleden gemaakte kosten om het genot van de boom te verkrijgen en te behouden, hun doel hebben gemist. Daarom is het arrest van het hof in dit opzicht fout, en moet het worden vernietigd.
Verder overweegt het hof dat op grond van artikel 6:105 BW de begroting van nog niet ingetreden schade ofwel kan worden uitgesteld om te bekijken of en hoe de schade optreedt, danwel na afweging van goede en kwade kansen bij voorbaat kan geschieden. Ook in dat laatste geval blijft het uitgangspunt dat zoveel als mogelijk de werkelijk te lijden schade wordt begroot. Daarbij komt het aan op de redelijke verwachting van de rechter omtrent toekomstige ontwikkelingen. Vaak zal onzekerheid ontstaan omtrent de ontwikkeling van het zelfherstel. Die onzekerheid kan in concrete gevallen in de weg staan aan een schatting van goede en kwade kansen. Met als gevolg, dat er niet direct een algehele begroting kan worden gemaakt.
Dat betekent dat het oordeel van het hof ook in dit opzicht onjuist is: het hof had immers gezegd dat er veel van dit soort schadegevallen zijn, zodanig dat op grond van de wet van de grote getallen een algemene schatting kan worden gemaakt, waarbij de bijzondere aspecten van een concreet geval er niet meer toe doen. Dat kan dus niet volgens dit oordeel van de Hoge Raad: er zal telkens naar de omstandigheden van de concreet beschadigde boom moeten worden gekeken.
Dit arrest van de Hoge Raad betekent dat het rekenmodel zijn langste tijd zal hebben gehad. Dat is jammer, want dat betekent dat een vlotte en snelle handzame begroting van toekomstige schade op basis van dit model niet mogelijk is. Er zal dus moeizaam van geval tot geval moeten worden bekeken, en zo nodig ook moeten worden afgewacht, wat de concrete gevolgen zijn van een bepaalde schade.
Hoge Raad 15 december 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:HR:2017:3145
Door Rikkert Hoekstra
"