Nieuwsbrief voor overheden
In een uitspraak van 28 april 2016 oordeelde de Centrale Raad over een Amsterdamse marktmeester die op een systematische wijze wisselgeld en etenswaren aannam.
Appellant was sinds 2004 werkzaam als marktmeester en belast met de zorg voor de markt. In 2011 werden door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam misstanden geconstateerd. Het ging over vermoedens van integriteitsschending in de vorm van het aannemen van geld en/of goederen van kooplieden op de markt.
Het college ondernam actie en schakelde het Bureau Integriteit van de gemeente Amsterdam in voor een onderzoek. Tijdens dit onderzoek werden met appellant gesprekken gevoerd. Ook vonden observaties plaats van de activiteiten van de op locatie werkzame marktmeesters. Ook werd een werkplekonderzoek uitgevoerd in het marktkantoor. Op basis van de bevindingen van dit onderzoek heeft het college de marktmeester strafontslag verleend.
Uit de verklaringen en observaties bleek namelijk dat appellant op structurele basis en over een langere periode geld aannam van marktkooplui. Dit deed hij door tijdens het innen van het marktgeld geen wisselgeld te geven en in uniform - en dus herkenbaar als vertegenwoordiger van de gemeente Amsterdam - etenswaren van marktkooplui te ontvangen zonder direct te betalen. Hierdoor is door appellant de schijn gewekt dat hij zonder te betalen etenswaren heeft toegeëigend en dat hij ‘om niet’ een marktkraam heeft gegund.
Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot de disciplinaire bestraffing leidt is noodzakelijk dat op grond van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de ambtenaar de hem verweten gedraging heeft begaan (uitspraak van 15 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1683).
De Centrale Raad is van mening dat uit het disciplinair onderzoek overtuigend naar voren is gekomen dat het aannemen van wisselgeld en etenswaren een systematisch karakter had. Daarnaast had appellant in 2012 zelf verklaard dat hij wel eens fooien heeft aangenomen en tweeënhalf jaar daarvoor was begonnen met het aannemen van geld in verband met afrondingsverschillen. Appellant ontving weleens fruit, een loempia, koffie, thee en bloemen waar hij niet voor moest betalen.
Volgens appellant mag de conclusie dat hij de verweten gedragingen heeft begaan, niet gebaseerd worden op observaties op afstand, zonder de marktkooplui en appellant te benaderen. Dan blijft het slechts bij interpretaties waarvan de context niet duidelijk is. Ook was er volgens appellant sprake van een zogenaamde kleine kas, die werd besteed aan de markt.
De Centrale Raad verwijst naar zijn uitspraak van 19 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:954). De beschikbare gegevens bieden naar het oordeel van de Centrale Raad een toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan de hem verweten gedragingen en van een kleine kas was geen sprake.
Ook voert appellant aan dat tot het onderzoek in 2012 niet met hem is gesproken over het onderwerp integriteit en dat de gemeente Amsterdam niets heeft gedaan om contante betalingen weg te houden van de markt. Dit laatste zou de marktmeester kwetsbaar maken. Dit argument gaat volgens de Centrale Raad niet op.
Uit correspondentie bleek dat reeds in 2009 is gesproken met appellant over het (mogelijk) aannemen van goederen. Daar komt bij dat een gebrek aan adequate controle geen vrijbrief vormt voor medewerkers om zwakke plekken van een systeem te misbruiken. Medewerkers hebben een eigen verantwoordelijkheid jegens hun werkgever en een gebrek aan controle doet op zichzelf niet af aan de ernst van een geconstateerd plichtsverzuim.
De Centrale Raad is van oordeel dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan toerekenbaar plichtsverzuim. Het college was bevoegd om appellant strafontslag te verlenen. Dit strafontslag is volgens de Centrale Raad niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim.
CRvB 28 april 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2016:1547
Door mr. B. de Smit
"