Nieuwsbrief voor overheden
Een door de burgemeester van Amsterdam opgelegd huisverbod werd door de Amsterdamse rechtbank vernietigd, omdat het opleggingsbesluit onvoldoende gemotiveerd was. In hoger beroep is overwogen dat de vernietiging wegens een motiveringsgebrek niet verenigbaar is met het daaraan voorafgaande oordeel van de rechtbank dat het huisverbod in redelijkheid kon worden opgelegd.
Bij de beoordeling van een huisverbod betrekt de rechter op grond van artikel 6, lid 2 van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth) ook de feiten en omstandigheden die bekend zijn op het moment dat de rechter de zaak onder ogen krijgt. De rechter gaat na of een huisverbod had mogen worden opgelegd én doet een zogenoemde ex-nunctoets op nieuwe feiten en omstandigheden (zie voor een verdieping Gst. 2014/19).
Uit een recente uitspraak van de Afdeling blijkt dat de feiten en omstandigheden die bij deze ex-nunctoets aan de orde kunnen komen geen feiten en omstandigheden kunnen zijn die betrekking hebben op formele vereisten aan het besluit. Er was in dit geval sprake van uiteenlopende verklaringen over het huiselijk geweld en er waren geen objectieve gegevens beschikbaar in de vorm van getuigenissen van derden of letsel. In voorkomende gevallen heeft dat geleid tot de conclusie dat de burgemeester niet bevoegd was om een huisverbod op te leggen (zie o.a. de uitspraak van 8 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV3218, r.o. 2.5.1).
Omdat de rechtbank in dit geval al geoordeeld had dat er voldoende reden was voor de burgemeester om een huisverbod op te leggen en de bevoegdheid van de burgemeester dus niet ter discussie stond, kon de door de rechtbank genoemde omstandigheid dat het op de weg van de burgemeester lag om zo spoedig mogelijk nadere gegevens op te vragen, bij het ontbreken van die gegevens niet alsnog leiden tot de conclusie dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd.
ABRvS 15 maart 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2017:657
Door Ad Schreijenberg
"