Nieuwsbrief voor overheden

De holding huurde al sinds 2009 een strandperceel van de gemeente Rotterdam (hierna: de ‘Gemeente’) voor de exploitatie van een horecapaviljoen. In de zomer van 2022 liep het mis: de BV (de exploiterende dochtervennootschap van de holding) sloot per 1 september 2022 een onderhuurovereenkomst met Rose Vis BV, en kort daarna werd de exploitatievergunning ingeleverd. Daarmee was de exploitatie feitelijk gestaakt en was de grond, via de opstallen, in gebruik gegeven aan een derde; een dubbele schending van de huurovereenkomst. De Gemeente ontbond de huurovereenkomst met de holding buitengerechtelijk in oktober 2022.

De holding voerde aan dat ontbinding niet gerechtvaardigd was omdat een gebiedsadviseur horeca van de Gemeente via WhatsApp suggesties had gedaan voor de nieuwe bedrijfsnaam en had geschreven dat het er 'naar uitzag dat het goed ging komen'. Het hof passeert dit verweer. De gebiedsadviseur had geen bevoegdheid om civielrechtelijke toestemming te verlenen voor onderverhuur, deed dit ook niet, en verwees voor vergunningverlening uitdrukkelijk naar andere afdelingen. Van opgewekt vertrouwen dat de Gemeente akkoord was met de exploitatie-overname was geen sprake.

Vervolgens buigt het hof zich over de vraag of de Gemeente überhaupt, ook in een hypothetisch scenario waarin zij de holding eerst een herstelmogelijkheid had geboden, had mogen weigeren in te stemmen met Rose Vis BV als nieuwe huurder of exploitant. Het antwoord is ja. Het hof neemt - in lijn met de inmiddels brede rechtspraktijk maar zonder bevestiging van de Hoge Raad op dit punt - aan dat de Didam-regels (HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778) ook gelden bij verhuur van schaarse overheidsgrond. Rose Vis BV was geen zittende huurder met een vooraf toegestane positie, maar een nieuwe gegadigde. Nu er redelijkerwijs meerdere gegadigden te verwachten waren, had de Gemeente zonder selectieprocedure niet rechtstreeks met Rose Vis BV mogen contracteren.

Voor de goede orde merkt het hof op dat niet in geschil is dat sprake is van de verhuur van onbebouwde grond (een strandperceel) en niet van bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW. Daardoor zijn de wettelijke bepalingen inzake indeplaatsstelling (artikel 7:307 BW) niet van toepassing. Uit eerdere rechtspraak (Rb. Midden‑Nederland 17 september 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:4928) volgt bovendien dat de zogenoemde Didam‑regels evenmin op indeplaatsstelling van toepassing zijn, nu indeplaatsstelling niet neerkomt op een zuivere contractsovername en de medewerking van de gemeente daarbij niet is vereist.

Het hof geeft de Gemeente wel een tik op de vingers: het had netter geweest als niet rauwelijks was ontbonden maar eerst intern overleg had plaatsgevonden tussen de afdelingen Vastgoed en Horecavergunningen. Die processuele onzorgvuldigheid maakte de ontbinding echter niet onrechtmatig.

De uitspraak bevestigt dat een overheidslichaam dat overheidsgrond verhuurt, bij een exploitatieverandering al snel met de Didam-regels te maken krijgt. Huurders die zonder toestemming een derde inschakelen, kunnen niet verwachten dat de overheid vervolgens verplicht is mee te werken aan legalisering, ook niet als daarover informeel is gesproken. De vraag wanneer een zittende (onder)huurder wél als enige serieuze gegadigde kan worden aangemerkt, blijft een punt van aandacht in de praktijk.

Gerechtshof Den Haag 24 februari 2026, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHDHA:2026:337.

Actualiteiten overzicht