Nieuwsbrief voor overheden

De gemeente Amsterdam heeft aan T-Mobile het recht verleend om in, aan, op of boven het Floraparkbad apparatuur te installeren en te exploiteren. T-Mobile heeft op het dak van het gebouw een telefoonmast geplaatst en op de begane grond kastjes met apparatuur aangebracht. Vanwege de herinrichting van het Noorderpark wordt het Floraparkbad gesloopt en heeft de gemeente een nieuw zwembad gebouwd. Vanwege deze sloop heeft de gemeente de huurovereenkomst met T-Mobile opgezegd. T-Mobile weigert daaraan mee te werken en beroept zich op ontruimingsbescherming ex. artikel 7:230a BW. De gemeente vordert in kort geding ontruiming van het zwembad door T-Mobile. Daarbij stelt de gemeente zich op het standpunt dat het nieuwe zwembad niet optimaal kan worden gebruikt, zolang het naastgelegen oude zwembad niet is gesloopt.

De voorzieningenrechter is van mening dat T-Mobile zich niet op ontruimingsbescherming kan beroepen, omdat de huur geen betrekking heeft op een gedeelte van een gebouwde onroerende zaak als bedoeld in artikel 7:230a BW. Aangezien de voorzieningenrechter oordeelt dat de huurovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd en T-Mobile zodoende zonder recht en titel gebruik maakt van het gehuurde, wordt T-Mobile veroordeeld tot ontruiming.

De voorzieningenrechter komt tot dit oordeel op grond van de wetsgeschiedenis. Daaruit blijkt dat artikel 7:230a BW moet worden beschouwd als een opvolger van de (inmiddels vervallen) artikelen 28c-28h Huurwet. Voor de definitie van het begrip ‘gebouwde onroerende zaken’ kan dan ook aansluiting worden gezocht bij de definitie die de Huurwet kende. De ontruimingsbescherming van artikel 7:230a BW wijkt materieel niet af van de regeling in die artikelen van de Huurwet; het gaat begripsmatig om een voortzetting van die regeling. Volgens de definitie van ‘gebouwde onroerende zaken’ uit artikel 1 lid 3 sub c Huurwet is de gedachte geweest om bescherming te bieden aan de huurder van een zelfstandige bedrijfsruimte en dat is niet wat T-Mobile van de gemeente huurt.

Verder oordeelt de voorzieningenrechter dat in het geval wel zou kunnen worden gesteld dat T-Mobile een deel van het gebouw huurt, het gebruik van het gebouw voor T-Mobile irrelevant is. Zij heeft immers enkel een hoog punt nodig om haar voorzieningen aan te brengen, maar zou die hoogte ook kunnen bereiken door een langere mast op de grond te plaatsen. Bovendien hoeft zij voor het plegen van onderhoud het gebouw niet te betreden.

De conclusie is dat de huur geen bet rekking heeft op (een gedeelte van een) gebouwde onroerende zaak als bedoeld in artikel 7:230a BW, zodat het beroep van T-Mobile op ontruimingsbescherming op grond van dat artikel niet opgaat.

Deze uitspraak leert dat een huurder bij de huur van een gedeelte van een gebouwde onroerende zaak niet per definitie een beroep kan doen op de ontruimingsbescherming van artikel 7:230a BW.

Rb. Amsterdam 17 maart 2015, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBAMS:2015:1651

Door mw. mr. L.A. Broekhuysen

"

Actualiteiten overzicht