Nieuwsbrief voor overheden

Onrechtmatige overheidsdaad. Besluitaansprakelijkheid. Maatstaf voor condicio sine qua non-verband tussen onrechtmatig besluit en gestelde schade. Vergelijking met de hypothetische situatie dat geen onrechtmatig besluit was genomen.

De provincie Zuid-Holland heeft aan een baggerbedrijf een vergunning verleend om zand te winnen.

Bij de winning moest een helling aangehouden worden van 1:4, een steile helling. De helling stortte in, een oeverval, waarna vervolgens de zandwinning in de desbetreffende plas werd aangepast: het baggerbedrijf hield een minder steile helling 1:6 aan. Het baggerbedrijf gaat er echter toe over om toch de vergunde helling van 1:4 aan te gaan houden, omdat door een schuinere helling de winbare hoeveelheid zand werd verminderd. Daarop geeft de provincie een aanwijzing om de helling 1:6 aan te houden. Deze aanwijzing wordt door de Afdeling vernietigd: de aanwijzing was in strijd met de vergunning en dat was niet toelaatbaar. Vervolgens werd de vergunning aangepast, aldus dat de helling 1:6 moest worden aangehouden.

Het baggerbedrijf stelt de provincie aansprakelijk, zeggend dat de aanwijzing onrechtmatig was. Dat is op zichzelf juist, zo oordeelt de rechter, maar relevant is dat niet, want de provincie zou in staat zijn geweest om een rechtmatig besluit te nemen met hetzelfde gevolg, te weten de aanpassing van de vergunning. Daarom ontbreekt het causaal verband.

Feitelijk gevolg van het onrechtmatige besluit –dus: niet het rechtsgevolg- was echter dat het baggerbedrijf de zuiger in de plas had laten liggen in de hoop toch nog extra zand te kunnen gaan winnen, aldus het baggerbedrijf. Het hof oordeelt –samengevat- dat het baggerbedrijf gelet op de oeverval best kon begrijpen dat de vergunning zou worden aangepast. Daarom ontbreekt volgens het hof het causaal verband. Het hof heeft in aanmerking genomen dat de baggeraar in de werkelijke situatie de zandzuiger heeft laten liggen, hoewel zij geen redelijke grond had voor de verwachting dat zij uiteindelijk een steilere taludhelling dan 1:6 zou kunnen aanhouden en dat niet valt in te zien wat het verschil was tussen de onrechtmatige aanwijzing en de latere, rechtmatige wijziging van de vergunning. Dit moet aldus worden verstaan, aldus de Hoge Raad, dat het hof niet heeft geoordeeld ‘wat de baggeraar had moeten doen’, maar heeft beoordeeld hoe de baggeraar in de hypothetische situatie feitelijk zou hebben gehandeld, gegeven de wijze waarop zij zich in werkelijkheid na de onrechtmatige aanwijzing had gedragen.

Het komt er op neer dat de op de vergunning gebaseerde aanwijzing misschien wel onrechtmatig was doordat het geven van een aanwijzing niet een juridisch geschikt middel is om een in de vergunning gegeven recht te beperken, maar dat de baggeraar had kunnen begrijpen dat zij uiteindelijk niet een steilere taludhelling zou kunnen aanhouden, dat er dus geen winbare zandhoeveelheid meer was en dat zij dus had moeten begrijpen dat het niet verstandig was om de zuiger in de desbetreffende zandwinningsplas stil te laten liggen. De daarmee gemoeide stilligschade was dus terecht afgewezen, aldus de Hoge Raad.

Hoge Raad 15 maart 2019, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:HR:2019:354

Door Rikkert Hoekstra

"

Actualiteiten overzicht