Nieuwsbrief voor overheden
Noodoplossing wordt slepende kwestie
Vijf uithuisgeplaatste jeugdigen woonden tot eind 2020 in een gezinshuis in gemeente A. Toen de gezinshuisouders onverwacht stopten en de jeugdigen geen zorg meer konden bieden, moest op zeer korte termijn vervangende opvang worden gezocht. Een jeugdhulpaanbieder bood aan de jeugdigen tijdelijk op te willen vangen in haar vakantiehuis in gemeente B, in afwachting van een nieuw gezinshuis in gemeente A. Gemeente A sloot daartoe op 24 december 2020 een maatwerkovereenkomst met de jeugdhulpaanbieder, waarin uitdrukkelijk was opgenomen dat het woonplaatsbeginsel van gemeente A van kracht bleef en zij de kosten zou dragen.
Het gebruik van de vakantiewoning in gemeente B voor de opvang van de jeugdigen was in strijd met het bestemmingsplan. Nadat er verschillende gesprekken tussen de jeugdhulpaanbieder en gemeente B waren gevoerd, kwam gemeente B tot de conclusie dat er geen zicht op legalisatie was en stuurde zij een brief aan de jeugdhulpaanbieder waarin zij meedeelde dat zij voornemens was handhavend op te treden op het moment dat de overtreding niet beëindigd zou worden. De jeugdigen verhuisden uiteindelijk begin januari 2022 naar definitieve opvanglocaties in de gemeenten E en F.
Gemeente A had intussen ruim 410.000 euro aan jeugdhulp uitgegeven en wilde deze verhalen op gemeente B. De jeugdigen hadden immers feitelijk in gemeente B verbleven.
Werkelijk verblijf versus tijdelijk verblijf
Onder de Jeugdwet (oud) gold bij voogdij door een gecertificeerde instelling als woonplaats de ‘plaats van het werkelijke verblijf’ van de jeugdige. Gemeente A betoogde dat de jeugdigen in 2021 feitelijk in gemeente B verbleven en dat de financiële verantwoordelijkheid daarmee op gemeente B rustte. Volgens gemeente A heeft zij, door het verblijf van de jeugdigen in gemeente B te bekostigen, feitelijk kosten gedragen die voor rekening van gemeente B hadden moeten komen, waardoor gemeente B ongerechtvaardigd is verrijkt.
Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: hof) gaat niet mee in het betoog van gemeente A. Volgens het hof is niet het feitelijk verblijf bepalend, maar de bestendige werkelijke verblijfplaats. Het verblijf van de jeugdigen in gemeente B was van meet af aan bedoeld als tijdelijke overbrugging waarna de jeugdigen terug zouden keren naar gemeente A. Dat valt niet alleen af te leiden uit de strekking van de maatwerkovereenkomst, maar bleef ook gedurende het gehele verblijf ongewijzigd. Bovendien was de locatie planologisch niet geschikt voor jeugdopvang en gemeente B is niet betrokken geweest bij de overgang van de jeugdigen naar de locatie binnen de gemeente B.
Het hof verwijst daarbij naar de conclusie van P-G Vlas over tijdelijk verblijf in het buitenland. Ook dan eindigt de verantwoordelijkheid van de woongemeente niet.
De Jeugdwet (oud) staat er niet aan in de weg dat een gemeente kosten draagt voor jeugdhulp aan jeugdigen die tijdelijk elders verblijven. Het risico dat de tijdelijke situatie langer duurt dan voorzien, rust op de gemeente die die situatie heeft georganiseerd en gecontracteerd.
Uit dit arrest valt een duidelijke les te trekken. Een gemeente die jeugdigen tijdelijk binnen een andere gemeente onderbrengt, behoudt de financiële verantwoordelijkheid totdat sprake is van een bestendige, definitieve nieuwe verblijfplaats. Wil zij die verantwoordelijkheid overdragen aan een andere gemeente, dan moet zij die gemeente tijdig betrekken en concrete overdrachtsafspraken maken.
Hof ’s-Hertogenbosch 14 april 2026, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHSHE:2026:1003.