Nieuwsbrief voor overheden

Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) heeft een Europese openbare aanbestedingsprocedure uitgeschreven voor Meetdiensten op basis van het gunningscriterium economisch meest voordelige Inschrijving (EMVI). HHNK heeft deze opdracht mede namens Hoogheemraadschap van Schieland en Krimpenerwaard (HHSK) en Waterschap Hollandse Delta (WSHD) aanbesteed.

Op 11 maart 2015 heeft HHNK aan Stedin per brief medegedeeld dat Westland Infra netbeheer BV als meest gerede (winnende) inschrijver uit de beoordeling is gekomen.

Stedin spant een kort geding aan tegen HHNK, waarin Stedin stelt dat sprake is van een wezenlijke wijziging van de aanbestedingsprocedure door toekenning van de volle 10 punten aan alle inschrijvers voor het eerste gunningscriterium, betreffende kwaliteit meetdata.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland komt in zijn uitspraak van 4 juni jl. aan de beantwoording van die vraag echter pas toe in de ‘ten overvloede’ overwegingen.

De voorzieningenrechter overweegt namelijk eerst en vooral of Stedin niet behalve HHNK ook HHSK en WSHD had moeten dagvaarden. Dit behoeft enige toelichting:

In de Begripsbepalingen van de Inschrijvingsleidraad onder het kopje ‘Aanbestedende dienst/Aanbesteder’ is opgenomen dat HHNK de aanbesteding “uitvoert mede namens” HHSK en WSHD. ‘Opdrachtgever’ is volgens de Inschrijvingsleidraad “HHNK, HHSK en WSHD na gunning van de opdracht”. In paragraaf ‘1.1 Aanbestedende dienst’ is voorts nogmaals opgenomen dat HHNK deze aanbesteding mede uitvoert namens HHSK en WSHD. En zo staan er nog drie van dergelijke bepalingen in de Inschrijvingsleidraad.

De rechtbank verbindt daaraan de conclusie dat HHNK, HHSK en WSHD gezamenlijk als één aanbestedende dienst optreden, met HHNK als penvoerder. Na gunning worden voor alle drie de partijen gezamenlijk rechten en plichten in het leven geroepen. Dat maakt dat de rechtbank het volgende overweegt:

“Bij die stand van zaken acht de voorzieningenrechter de rechtsverhouding tussen HHNK, HHSK en WSHD, zowel onderling als in relatie tot de inschrijvers, processueel ondeelbaar, in die zin dat rechtens noodzakelijk is dat de beslissing ten aanzien van (alle drie) de aanbesteders gezamenlijk in dezelfde zin luidt (vgl. Hoge Raad 26 maart 1993, NJ 1993, 489).”

Daarmee is het beroep van HHNK dat niet alle noodzakelijke partijen in het geding zijn betrokken (het zogenoemde ‘Exceptio plurium litis consortium’) derhalve geslaagd.

Omdat Stedin alleen HHNK heeft gedagvaard wordt zij in haar vorderingen niet-ontvankelijk verklaard.

De les uit deze uitspraak is dat als meerdere diensten samen een opdracht aanbesteden, een inschrijver in kort geding alle aanbesteders moet dagvaarden.

Rb Noord-Holland 4 juni 2015, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBNHO:2015:4561

Door mr. J.J. Jacobse en mr. I. van der Hoeven

"

Actualiteiten overzicht