Nieuwsbrief voor overheden

De gemeente Bussum verkoopt een aantal woningen op vervuilde grond. Een aantal woningeigenaren begint daarop een procedure, een aantal anderen niet.

De rechtbank oordeelt in de procedure dat de gemeente Bussum voor de bodemverontreiniging aansprakelijk is; met hen wordt vervolgens een vaststellingsovereenkomst gesloten.

Eén van de woningeigenaren die niet aan de procedure had meegedaan, begint vervolgens ook een procedure. De rechtbank oordeelt om te beginnen dat de gemeente zich terecht erop beroept dat de vordering vanwege bodemverontreiniging inmiddels verjaard is, doordat betrokkene niet tijdig na de ontdekking van de vervuiling een procedure had gestart.

Betrokkene betoogde verder dat de vaststellingsovereenkomst ook op hem van toepassing zou moeten zijn, omdat hij in dezelfde positie zou verkeren als woningeigenaren wier grond eveneens was verontreinigd en met wie de gemeente wel een vaststellingsovereenkomst was aangegaan.

Geoordeeld wordt dat geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat de vaststellingsovereenkomst enkel was gesloten tussen de procespartijen. Het is niet onrechtmatig om bij het beslechten van een geschil de minnelijke overeenkomst te beperken tot de partijen die dat geschil aanhangig hebben gemaakt, aldus de rechtbank.

De gemeenteraad had echter ook nog een zogenoemde garantieregeling getroffen. De raad had overwogen de kwestie voor alle eerste eigenaars-bewoners finaal te willen afronden door ook hen een gelijke schadevergoeding uit te keren als die welke op basis van de vaststellingsovereenkomst werd toegekend. Echter, betrokkene was een tweede eigenaar-bewoner, dus een rechtsopvolger van de contractspartij aan wie de gemeente de woning oorspronkelijk had geleverd.

De rechtbank overweegt dat weliswaar in het raadsbesluit staat dat uitsluitend eerste eigenaars-bewoners onder deze garantieregeling zouden vallen, maar dat de vaststellingsovereenkomst ook gesloten is met een andere tweede eigenaar-bewoner die wel eiser was geweest in de bodemverontreinigingsprocedure.

De rechtbank beslist dan dat op basis van het gelijkheidsbeginsel ook betrokkene als tweede eigenaar-bewoner onder de garantieregeling moet vallen. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat de gemeente Bussum altijd al op de hoogte was van de situatie van betrokkene omdat deze na verwerving van de eigendom telkens bij de besprekingen betrokken was geweest. Dat betrokkene in de bodemverontreinigingsprocedure geen partij was geweest, levert daarom geen relevant verschil op.

De gemeente betoogt verder dat de situatie van betrokkene anders was dan die van de tweede eigenaar-bewoner met wie de vaststellingsovereenkomst was gesloten, omdat betrokkene ten tijde van de verwerving van het perceel van de bodemverontreiniging op de hoogte had kunnen en moeten zijn. De gemeente wijst erop dat zij naar alle huizen een bepaalde brief had gestuurd waarin van de verontreiniging melding werd gemaakt; dat de makelaar het wist en dat diverse media over de verontreiniging hadden bericht.

Betrokkene legt echter een verklaring over van de eerste eigenaar-bewoner van wie hij de woning had gekocht. Daarin staat dat deze ten tijde van de verkoop de brief van de gemeente helemaal niet kende en dat hij ook verder niet van de bodemverontreiniging op de hoogte was.

De rechtbank oordeelt dat de gemeente onvoldoende heeft onderbouwd dat haar brief de eerste eigenaar-bewoner had bereikt en dat de gemeente ook niet had onderbouwd dat de makelaar op de hoogte was van de mogelijke vervuiling. Zij had ook geen krantenberichten overgelegd waaruit bleek dat er al berichten in de media waren verschenen.

De rechtbank oordeelt dan ook dat de gemeente het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door betrokkene niet in aanmerking te laten komen voor de garantieregeling. Daarbij is niet van belang dat deze regeling onverplicht was opgesteld.

Voor recht wordt dan ook verklaard dat betrokkene gelijkgesteld moet worden met degenen die aanspraak kunnen maken op de garantieregeling.

Rb Midden-Nederland 12 maart 2014, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBMNE:2014:6452

Door mr. U.T. Hoekstra

"

Actualiteiten overzicht