Nieuwsbrief voor overheden
Langs een kade te Schiedam ligt een aantal woonboten. Het deel van de kade voor de diverse woonboten wordt door de eigenaren daarvan als tuin in gebruik genomen.
De eigenaren stellen dat zij door bezit en verjaring eigendom hebben verkregen.
De rechtbank Rotterdam oordeelt dat het hebben van een publiekrechtelijke vergunning voor het mogen aanleggen van een woonboot het gebruik van die grond met zich brengt en met die vergunning is verbonden. Immers, het is niet goed denkbaar dat bij beëindiging van de vergunning c.q. ligplaats het gebruik van de grond zou blijven voortbestaan. Het gebruik van de grond moet zijn begonnen op grond van houderschap met het doel om op de woonboot te kunnen komen. Nadien heeft dat gebruik meer omvang gekregen, onder meer door het plaatsen van hekjes en het inrichten van de stukjes grond als tuin.
Betrokkenen hebben vanaf 1987 schriftelijke voorstellen ontvangen voor een bruikleenovereenkomst.
De rechtbank oordeelt onder meer dat de gemeente Schiedam er geen rekening mee heeft hoeven houden dat bij sommige eigenaren de opvatting leefde dat zij bezitters waren. Daarom wordt de door de woonbooteigenaren ingestelde vordering afgewezen.
In reconventie had de gemeente ontruiming gevorderd. Ook deze vordering wordt echter afgewezen. Betrokkenen voeren aan dat de grond in het bestemmingsplan als tuin is bestemd.
De rechtbank overweegt dat sprake is van een zeker gebruiksrecht op grond waarvan de eigenaren van de woonboten houder van de grond waren. Van gebruik zonder recht of titel was dus geen sprake. De overeenkomst kon natuurlijk wel worden opgezegd, maar de eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat dit uitsluitend is toegestaan indien er een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Dat is niet het geval, mede gelet op het bestemmingsplan. Plannen tot herinrichting en achterstallig onderhoud waren onvoldoende onderbouwd. Daarom wordt ook de vordering van de gemeente afgewezen.
De rechtbank heeft de kool en de geit gespaard!
Rb. Rotterdam 19 februari 2014, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBROT:2014:1849
Door mr. U.T. Hoekstra
"