Nieuwsbrief voor overheden
De gemeente Katwijk verleent een omgevingsvergunning voor de bouw van een verbindingsbrug. Er is getoetst aan het Bouwbesluit. De gemeente schrijft echter dat zij bij deze toetsing heeft miskend dat dit een toegangsbrug is conform artikel 6.35 in samenhang met artikel 6.37 van het Bouwbesluit: de brug moest op behoorlijke wijze toegang verschaffen aan hulpverleningsdiensten en dat deed deze brug niet. De onaantastbaarheid voor de omgevingsvergunning van de brug verhindert niet dat het kantoorgebouw niet langer voldoet aan genoemde artikelen van het Bouwbesluit. Tegen deze overtreding moest handhavend worden opgetreden, aldus de gemeente.
De rechtbank oordeelt dat de gemeente heeft geschreven dat zij heeft miskend dat de brug waarvoor vergunning verleend was, een voor hulpverleningsdiensten geschikte brug moest zijn. Daarmee heeft de gemeente naar het oordeel van de rechtbank erkend dat zij een fout had gemaakt bij de beoordeling door te toetsen aan een verkeerd artikel uit het Bouwbesluit. Op deze erkenning is de gemeente na het inschakelen van externe juristen echter teruggekomen. Het staat de gemeente naar het oordeel van de rechtbank echter niet vrij om terug te komen op deze erkenning, omdat deze erkenning ondubbelzinnig en zonder voorbehoud is gedaan. Gesteld noch gebleken is dat de gemeente na de erkenning de beschikking heeft gekregen over andere feiten.
Dit oordeel van de rechtbank is naar onze opvatting onjuist: feiten kunnen worden erkend. De juistheid van de conclusie dat de feiten een onrechtmatige daad opleveren kan niet worden erkend. Dat is namelijk geen feit. Een dergelijke conclusie kan juist of onjuist zijn, maar de omstandigheid dat de gemeente een onjuiste conclusie heeft getrokken, betekent niet dat zij daadwerkelijk onrechtmatig heeft gehandeld.
Wat daarvan zij, de rechtbank overweegt voorts nog dat aan de vergunningsaanvraag voor de brug uitgebreid overleg met de gemeente vooraf is gegaan, zodat de gemeente wist dat het om een voor hulpverleningsdiensten geschikte brug moest gaan. Daar komt bij dat uit de aanvraag dit ook ondubbelzinnig blijkt. Dat daarin het woord ‘verbindingsweg’ niet voorkomt, doet daaraan niet af. De gemeente heeft het bovendien zelf ook opgevat als een aanvraag voor een verbindingsweg voor hulpverleningsdiensten, zo blijkt uit correspondentie. In het licht van de erkenning en de overige omstandigheden van het geval wordt een uitzondering gemaakt op de formele rechtskracht van de vergunning.
De rechtbank oordeelt dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld en derhalve aansprakelijk is voor de schade. Deze schade bestaat enerzijds uit het verschil tussen de kosten die eiseres thans heeft gemaakt, vermeerderd met de kosten die zij nu nog moet maken om de huidige brug te vervangen door een geschikte brug en anderzijds de kosten van een toegangsbrug in het hypothetische geval dat deze direct zou zijn gebouwd.
De gemeente voerde aan dat de kosten van een nieuwe verbindingsweg met een dam en duiker naar haar voorlopige schatting slechts € 10.000,- á € 12.000,- zou bedragen. Volgens de rechtbank is dat echter de schade niet. Immers, eiseres moet zoveel mogelijk worden gebracht in de situatie waarin zij zou hebben verkeerd zonder het onrechtmatig handelen, en in die situatie zou zij direct een deugdelijke brug hebben aangelegd. Eén en ander is bovendien onverenigbaar met de eerder geuite esthetische wensen van de gemeente, die voor eiseres aanleiding waren om überhaupt een dergelijke dure brug te gaan aanleggen. De gemeente kon dus het standpunt niet innemen dat alsnog kon worden ingestemd met de goedkope variant van de dam met duiker.
Wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten!
Rb ’s-Gravenhage 25 mei 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBDHA:2016:5696
Door mr. U.T. Hoekstra
"