Nieuwsbrief voor overheden
In een uitspraak van 31 januari 2018 ging de Afdeling in op de vraag onder welke omstandigheden gesproken kan worden van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit mer. Het antwoord op die vraag is onder andere relevant voor de vraag of al dan niet toepassing gegeven kan worden aan de kruimelgevallenregeling uit het Bor en de daarmee samenhangende reguliere voorbereidingsprocedure.
Villa ArenA, het winkelcentrum dichtbij het Amsterdamse voetbalstadion, wilde het thema van het winkelcentrum veranderen van “wonen” naar “leven”. Daartoe werd een omgevingsvergunning ingediend, die er onder andere in voorzag dat de woongerelateerde detailhandel wordt omgezet naar grootschalige (perifere) detailhandel. Dat is in strijd met het vigerende bestemmingsplan, maar kon op grond van de zogenoemde kruimelgevallenregeling mogelijk worden gemaakt. Het algemeen bestuur van de bestuurscommissie Amsterdam Zuidoost heeft met toepassing van artikel 2.12, lid 1 aanhef en onder a, onder 2° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en lid 9, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor), een omgevingsvergunning verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan.
Eigenaren van een op 200 meter van dit winkelcentrum gelegen ander winkelcentrum hebben zich verzet tegen de toepassing van de kruimelgevallenregeling. Volgens hen is de functiewijziging van Villa ArenA aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in artikel D 11.2, kolom 1 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer), waardoor de in artikel 5, lid 6 van bijlage II van het Bor opgenomen uitzondering op de toepassing van artikel 4, onderdelen 9 en 11 van het Bor geldt. Het alternatief is een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, lid 1 aanhef en onder a sub 3 van de Wabo, waarvoor in tegenstelling tot voor de voornoemde vergunning de uitgebreide voorbereidingsprocedure geldt.
Bepalend is dus of in dit geval van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit mer kan worden gesproken. De Afdeling heeft in dat verband onder verwijzing naar een eerdere uitspraak van 15 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:694) overwogen dat het antwoord op de vraag of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit mer, afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. In rechtsoverweging 5.2 heeft de Afdeling daarover in dit geval overwogen:
“Het project, dat is gelegen in bestaand stedelijk gebied, voorziet in een gedeeltelijke functiewijziging van Villa ArenA, waarbij woongerelateerde detailhandel wordt omgezet naar grootschalige (perifere) detailhandel, zonder verplichte relatie tot wonen. Er vindt derhalve een gedeeltelijke brancheverruiming plaats, maar het gebruik blijft gericht op detailhandel. Deze functiewijziging gaat niet gepaard met een uitbreiding van de bebouwde oppervlakte, zodat de opzet en de vormgeving van Villa ArenA door het project nauwelijks zullen wijzigen. Gelet daarop is de Afdeling van oordeel dat geen sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit mer. De rechtbank is terecht tot deze conclusie gekomen.”
Voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject zijn dus de volgende aspecten relevant: (een uitbreiding van) de bebouwde oppervlakte, de opzet en de vormgeving van de ontwikkeling. In dit geval is volgens de Afdeling geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject en kon daarom de kruimelgevallenregeling worden toegepast.
ABRvS 31 januari 2018, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2018:348
Door Ad Schreijenberg
"