Nieuwsbrief voor overheden

Een verzoek kan niet als Wob-verzoek worden aangemerkt indien de verzoeker met zijn verzoek geen openbaarmaking voor een ieder heeft beoogd.  

 

Het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (hierna: CBG) heeft het verzoek van derde-partij van 19 oktober 2015 om afschriften van documenten, behorende tot het registratiedossier van een geneesmiddel, toegewezen. Bij brief van 20 oktober 2015 hebben eisers zich op het standpunt gesteld dat het CBG het verzoek van 19 oktober 2015 ten onrechte heeft aangemerkt als een Wob-verzoek.  

De meervoudige kamer van de rechtbank heeft zich, (mede) gelet daarop, gebogen over de vraag of het verzoek terecht is aangemerkt als een Wob-verzoek. Deze vraag is ontkennend beantwoord. Om als Wob-verzoek te kunnen kwalificeren, moet aan een verzoek om informatie allereerst expliciet de Wob ten grondslag worden gelegd. Voorts moet de verzoeker met zijn verzoek openbaarmaking voor een ieder hebben beoogd. Anders dan bij het eerste vereiste, wordt aan het tweede vereiste niet voldaan. Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in de uitspraken van de Afdeling van 11 januari 2017, 15 februari 2017 en 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:58, 384 respectievelijk 1702).

In het verzoek is onder meer aangegeven dat “De reden dat ik dit verzoek pas in een dergelijk laat stadium aan uw College kan voorleggen is dat ik pas net de instructies daartoe van mijn cliënte heb mogen ontvangen. De gevraagde stukken vormen onderdeel van een lopende juridische octrooiprocedure en zijn bestemd om tot bewijs te dienen (…).””

De rechtbank is van oordeel dat uit de hierboven geciteerde passage expliciet volgt dat met het verzoek geen openbaarmaking voor een ieder is beoogd. Uit genoemde passage leidt de rechtbank af dat het verzoek enkel en alleen is gedaan met het doel informatie te verkrijgen die kan worden gebruikt in een door derde-partij geïnitieerde procedure ter verkrijging van een octrooirecht. Dat  derde-partij ter zitting te kennen heeft gegeven er geen bezwaar tegen te hebben dat de documenten voor een ieder openbaar worden, leidt niet tot een ander oordeel; het bestreden besluit moet ex tunc worden getoetst.  

Nu de brief van 19 oktober 2015 geen verzoek om toepassing van de Wob bevat en ook anderszins geen aanvraag is in de zin van artikel 1:3, is de reactie daarop van het CBG van 25 juli 2016 geen besluit. Het CBG had het tegen de brief van 25 juli 2016 gemaakte bezwaar derhalve niet-ontvankelijk moeten verklaren.

Rb Noord-Holland 22 december 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBNHO:2017:10595

Door: Najima Khan

"

Actualiteiten overzicht