Nieuwsbrief voor overheden

Een burger heeft in 1994 een huis gebouwd in Borne. In 2006 werd een bestemmingsplan vastgesteld, waarin een bedrijfsbestemming aan het perceel werd toegekend: de woning werd dus wegbestemd.

Eiser dient een verzoek tot planschade in, maar dat wordt aanvankelijk afgewezen: er kon geen planvergelijking worden gemaakt, want voor de woning was geen ruimtelijke basis omdat het in afwijking van de vergunning en buiten het bouwblok was gebouwd. Uiteindelijk oordeelt de Afdeling dat de woning moet worden geacht rechtmatig te zijn en als zodanig onderdeel uit te maken van het oude planologische regime.

Vervolgens wordt de planschade vastgesteld op circa € 100.000,-, met dien verstande dat de schade in natura wordt vergoed door de woning terug te bestemmen en een restant in geld te betalen. De StAB adviseert dat dit is toegestaan en stelt de restschade op een bedrag van € 70.000,-, met dien verstande dat de gemeente geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat het inmiddels gewijzigde bestemmingsplan in beroep wordt vernietigd. Op het moment van wijzen van het vonnis was de uitspraak van de Afdeling in de planschadevergoedingsprocedure nog niet bekend.

Partijen werden het niet eens over de wijze van terugbestemmen. De raad stelt toch een bestemmingsplan vast, maar daar komt betrokkene tegenop. De Afdeling overweegt dat uit haar uitspraak in de planschadeprocedure niet volgt dat de woning als zodanig positief moet worden bestemd; de planschade-uitspraak zegt niets over de planologische aanvaardbaarheid. Zowel de woning, de wegen als de spoorweg waren feitelijk al aanwezig en dat betekent dat de geluidsnormen van de Wet geluidhinder en het Besluit geluidshinder niet van toepassing zijn. Maar de raad heeft niet onderkend dat een goede ruimtelijke ordening voor het aspect geluid niet uitsluitend wordt ingevuld door deze regelgeving. Ook in gevallen buiten de reikwijdte daarvan kan akoestisch onderzoek zijn vereist. Er is sprake van een planologisch nieuwe vestiging en dus had de raad een afweging moeten maken of een goed woon- en leefklimaat kon worden gegarandeerd. Dat had de raad nagelaten, zodat het bestemmingsplan moest worden vernietigd, waarna een nieuwe bestemmingsplanprocedure wordt opgezet.

In de procedure bij de civiele rechter wil de eigenaar dat hij wordt uitgekocht.

De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak in de planschadezaak moet worden afgeleid dat het gaat om legale bebouwing en legaal gebruik. Dat betekent dat dit gebruik krachtens overgangsrecht kan worden voortgezet. Een overheid mag er niet zomaar voor kiezen om bestaande legale gebouwen en bestaand legaal gebruik zomaar weg te bestemmen en onder het overgangsrecht te brengen. De gemeente heeft dan wel het gebruik in 2006 wegbestemd, maar had niet de bedoeling om een en ander te beëindigen. Daarom had de gemeente volgens de jurisprudentie van de Afdeling een planologische regeling moeten treffen ten behoeve van het langdurig gebruik. Dat is echter niet gebeurd in 2006. Het in dat jaar vastgestelde bestemmingsplan is in strijd met het eigendomsrecht, dat wordt beschermd door artikel 1 Eerste Protocol, aldus de civiele rechter. Immers, door het wegbestemmen wordt de woning zo goed als onverkoopbaar.

Het beroep op de formele rechtskracht van het bestemmingsplan slaagt niet: de gemeente had betrokkene onvoldoende geïnformeerd omtrent de procedure. Volgens de rechtbank had het de gemeente duidelijk moeten zijn dat betrokkene niet de gevolgen overzag die het weg bestemmen van zijn woning zonder nadere regeling voor hem had. De gemeente heeft echter alleen maar verwezen naar de planschadeprocedure, waarbij bij betrokkene de indruk werd gewekt dat hij van zijn eigendom gebruik kon blijven maken en dat zijn schade vergoed zou worden.

Ter reparatie van de vastgestelde inbreuk op de eigendom wil betrokkene dat hij wordt uitgekocht. De gemeente verweert zich, aanvoerend dat de schade ook kan worden vergoed door de woning weer terug te bestemmen met een persoonsgebonden overgangsrecht en de resterende schade te vergoeden via de planschadevergoedingsprocedure.

De civiele rechter overweegt dat er geen gehoudenheid is om betrokkene uit te kopen. De schade kan ook worden vergoed, aldus de rechtbank, door de woning en het gebruik terug te bestemmen, al dan niet in combinatie met een persoonsgebonden overgangsrecht met vergoeding van restschade, zoals de gemeente voor ogen heeft.

Het staat echter nog niet vast dat terugbestemming wel of niet mogelijk is: de Afdeling had immers nog geen uitspraak gedaan. Daarom kan de gemeente niet vaststellen of de schade op deze wijze wordt vergoed, omdat zowel de bestemmingsplan- als de planschadevergoedingsprocedure nog lopen. Daarom houdt de rechtbank de procedure aan.

Zij overweegt nog wel dat, indien er conform de planschadeprocedure wordt uitbetaald, daarmee ook civielrechtelijk vaststaat dat de schade als gevolg van de wijziging van het bestemmingsplan is voldaan: de beoordeling in de planschadeprocedure kan niet door de civiele rechter worden overgedaan.

Een bijzondere casus!

Rb. Overijssel 19 maart 2014, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBOVE:2014:1544

Door mr. U.T. Hoekstra

"

Actualiteiten overzicht