Nieuwsbrief voor overheden
In een uitspraak van 21 april 2016 oordeelde de Centrale Raad over de redelijkheid van een eervol ontslag wegens gewetensbezwaren van appellant.
De werkzaamheden van appellant bestonden voornamelijk uit het inwinnen van politieke inlichtingen. Na aanvang van zijn werkzaamheden heeft appellant aan zijn leidinggevende gemeld dat hij moeite had met bepaalde opdrachten. Vervolgens heeft appellant van zijn leidinggevende de mogelijkheid gekregen om te besluiten of hij desondanks de werkzaamheden uit kon voeren.
Dit gebeurde onder meer door het verlenen van buitengewoon verlof. Na afloop van het – verlengde – buitengewone verlof hebben zowel appellant als zijn leidinggevende geconcludeerd dat de gewetensbezwaren van appellant structureel van aard zijn en zodanig dat ze aan de uitvoering van de werkzaamheden van appellant op de afdeling - of op een andere plek binnen de organisatie - in de weg stonden. Vervolgens heeft de minister aan appellant eervol ontslag verleend wegens onbekwaamheid en/of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit en heeft daarna beroep aangetekend bij de rechtbank. De rechtbank kwam tot het oordeel dat de minister in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn ontslagbevoegdheid, aangezien aan appellant de gelegenheid is geboden om zich te beraden op zijn gewetensbezwaren en de mate waarin ze de uitvoering van zijn werkzaamheden in de weg staan.
De Centrale Raad stelt vast dat appellant gewetensbezwaren heeft die structureel van aard zijn en aan de uitoefening van zijn functie, of een andere functie bij de organisatie, in de weg staan. De gewetensbezwaren houden een veiligheidsrisico in, omdat de minister niet kan uitgaan van de juistheid van de door appellant verzamelde politieke informatie. De Centrale Raad verklaart het beroep van appellant dan ook ongegrond.
CRvB 21 april 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2016:1519
"