Nieuwsbrief voor overheden
Een conflict met een lange voorgeschiedenis
Appellant is eigenaar van een pand in Utrecht dat grenst aan een buurpand. Na sloopwerkzaamheden aan zijn pand in 2016 bleek bij een inspectie in 2018 dat de kloostermoppenmuur in de kelder, grenzend aan het buurpand, ernstig was uitgebold, en dat de achtergevel van zijn pand ontbrak. Het college legde daarop twee lasten onder dwangsom op, gevolgd door twee lasten onder bestuursdwang toen niet tijdig aan de lasten was voldaan, invordering van de verbeurde dwangsommen, en uiteindelijk, na uitvoering van bestuursdwang aan de achtergevel, een kostenverhaalsbesluit van bijna drie ton. Naast deze procedure lopen tussen partijen nog tien vergelijkbare zaken, die de Afdeling gezamenlijk op zitting heeft behandeld.
Wanneer mag NEN 8700 achterwege blijven?
Appellant betoogde dat het college de overtreding van artikel 2.6 van het Bouwbesluit niet aannemelijk had mogen achten zonder onderzoek volgens NEN 8700, en dat een visuele waarneming van de inspecteurs onvoldoende is. De Afdeling stelt voorop dat toepassing van NEN 8700 de gebruikelijke weg is om vast te stellen of een bouwconstructie voldoet aan artikel 2.6, eerste lid, van het Bouwbesluit. Alleen als die toepassing praktisch niet uitvoerbaar is, mag een andere bepalingsmethode worden gebruikt, mits daaruit onmiskenbaar blijkt dat niet aan de norm wordt voldaan.
In dit geval was de kloostermoppenmuur zodanig verzwakt, met gaten, een uitgegraven binnenplaats en een verwijderde achtergevel, dat metingen volgens NEN 8700 niet representatief zouden zijn geweest. Uit het bevindingenrapport en twee opeenvolgende rapporten van een onafhankelijk expertisecentrum bleek bovendien onmiskenbaar dat de muur in bouwtechnische zin al was bezweken. Onder die omstandigheden mocht het college afgaan op de visuele constateringen van de inspecteurs.
Overtreder, ongeacht wie het gebrek heeft veroorzaakt
Appellant wees naar de buren: de werkzaamheden aan hun pand zouden de horizontale krachten op de keldermuur hebben vergroot, zodat de oorzaak van de uitbuiging bij hen lag. De Afdeling gaat hier niet in mee. Artikel 1b, tweede lid, van de Woningwet verbiedt een eigenaar om een bouwwerk in een staat te laten die niet aan het Bouwbesluit voldoet, ongeacht wie die staat heeft veroorzaakt. Ook als de gebreken door toedoen van de buren zouden zijn ontstaan, was appellant als eigenaar verplicht om de strijdige situatie weg te nemen. Ditzelfde gold voor de ontbrekende achtergevel: dat verwijdering daarvan volgens appellant noodzakelijk was vanwege de slechte staat, doet niet af aan de overtreding en zijn hoedanigheid van overtreder.
Herstel volgens de last vergt geen aparte omgevingsvergunning
Appellant voerde ook aan dat voor de herstelwerkzaamheden, waaronder het aanbrengen van een staalconstructie, een omgevingsvergunning nodig was. De Afdeling herhaalt de vaste lijn dat een last onder dwangsom of bestuursdwang die opdraagt tot herstel in de oude, rechtmatige toestand, de daarvoor benodigde toestemming al insluit (vgl. ABRvS 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:169). Nu de last uitdrukkelijk voorschreef dat de muur zo moest worden hersteld dat deze niet langer in strijd was met het Bouwbesluit en de Woningwet, was voor de uitvoering van die opdracht geen afzonderlijke vergunning vereist, ook niet voor de daarbij gebruikte staalconstructie.
Invordering en kostenverhaal: geen tweede kans om de last te bestrijden
Bij de invordering van de verbeurde dwangsommen herhaalde appellant zijn bezwaren tegen de onderliggende lasten. De Afdeling wijst erop dat gronden die al tegen de last naar voren zijn gebracht of hadden kunnen worden gebracht, in beginsel niet nogmaals met succes tegen de invorderings- of kostenverhaalsbeschikking kunnen worden aangevoerd. Dat kan alleen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld wanneer evident is dat geen overtreding is gepleegd. Van zo'n uitzonderlijk geval was hier geen sprake, zodat het college bevoegd was tot invordering en kostenverhaal over te gaan.
Opvallend is verder dat de Afdeling het verzoek van appellant afwijst om de kostenverhaalsbeschikking van 17 maart 2025, die hangende de procedure werd genomen, op grond van artikel 5:31c, tweede lid, van de Awb terug te wijzen naar het college. De Afdeling beoordeelt het van rechtswege ontstane beroep tegen dit besluit zelf inhoudelijk, in het belang van een efficiënte afdoening van het geschil.
ABRvS 15 juli 2026, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2026:3934.