Nieuwsbrief voor overheden
In 1959 geeft de gemeente een standplaatsvergunning uit voor het plaatsen van een kiosk. In 1999 wordt de kiosk door brand verwoest, maar deze wordt heropgebouwd. In 2003 wordt het beleid aldus gewijzigd, dat jaarlijks een standplaatsvergunning moet worden aangevraagd, die vervolgens jaarlijks wordt verleend. Op 3 december 2013 wordt een vergunning verleend met de vermelding dat deze geldig is tot 31 december 2014, zonder mogelijkheid tot verlenging. Daartegen wordt bezwaar gemaakt, en het bezwaar wordt gegrond verklaard. Geconcludeerd wordt dat de kiosk niet voldoet aan de definitie van een standplaats als bedoeld in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en dat nader onderzocht moet worden op welke basis de bedrijfsactiviteiten kunnen worden voortgezet.
Daarop wordt een huurovereenkomst aangeboden, die eindigt op 31 december 2016. De kioskhouder is niet bereid om deze overeenkomst te ondertekenen. Alle overige ondernemers die standplaatsen exploiteren, mochten de exploitatie voortzetten. In dit geval was dat anders, omdat de gemeente het beheer en de exploitatie van het naastgelegen hertenkamp wilde privatiseren; de gegadigde voor het beheer en exploitatie van het hertenkamp was slechts bereid om het beheer daarvan over te nemen, indien hij op basis van exclusiviteit consumpties mocht verkopen. Daarom moest de kiosk het veld ruimen. Daar is de kioskhouder het niet mee eens.
De kioskhouder beroept zich er ten onrechte op dat hij bezitter was van een recht van opstal: hij had de kiosk immers geplaatst met instemming van de gemeente.
Overwogen wordt echter dat er wel sprake is van eigendom in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het begrip ‘eigendom’ moet ruim worden uitgelegd. Ook de juridische relatie die partijen hebben, ook al blijkt deze geen publiekrechtelijke basis te hebben en ook al is er nog geen overeenkomst, valt onder dit ruime begrip ‘eigendom’.
Het behoort tot het normale ondernemersrisico dat aan een toestemming om op een bepaalde locatie een onderneming te voeren op enig moment een einde komt, maar bij een beëindigingsbesluit moet wel worden gelet op de bij betrokkene gewekte verwachtingen. De door de gemeente gepleegde inbreuk op de ‘eigendom’ kan het onrechtmatig karakter verliezen door het betalen of aanbieden van een redelijke schadevergoeding.
De gemeente heeft weliswaar een huurovereenkomst voor bepaalde tijd aangeboden, maar dit verschuift slechts het moment van verwijdering van de kiosk. Dat levert geen redelijke schadevergoeding op.
De gemeente heeft verder weliswaar ter zitting een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd aangeboden, maar daaraan heeft zij de voorwaarde verbonden dat de kioskhouder met een bedrag van € 10.000,- zal bijdragen in de kosten van beheer en exploitatie van het hertenkamp, maar daarop hoefde de kioskhouder niet in te gaan: het beheer en de exploitatie van het hertenkamp regarderen hem niet.
Ook is het niet van belang dat er geen sprake was van een standplaats en dat de kioskhouder om die reden de door hem over de jaren 2011 tot en met 2014 betaalde precariobelasting heeft teruggekregen, zodat hij vanaf 1 januari 2011 zonder vergoeding gebruik maakt van het perceel.
De ontruimingsvordering van de gemeente wordt daarom afgewezen.
Dit oordeel van de rechtbank gaat naar onze mening wel ver, maar het laat zien dat in geschillen tussen overheden en burgers steeds vaker succesvol beroep wordt gedaan op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.
Rb Gelderland 9 december 2015, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBGEL:2015:7857
Door mr. U.T. Hoekstra
"