Nieuwsbrief voor overheden
Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat aan een invorderingsbesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag moet liggen. In een uitspraak van 3 mei 2017 heeft de Afdeling de eisen aan de feitenvaststelling bij invorderingsbesluiten “omwille van de duidelijkheid” opnieuw geformuleerd.
Uit onder andere een uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW8183) blijkt dat aan een invorderingsbesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag moet liggen. Dat is nog steeds het uitgangspunt, maar de Afdeling heeft daar in de hier besproken uitspraak het volgende aan toegevoegd:
“Aan een invorderingsbesluit dient een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag te liggen. Dit brengt met zich dat de vaststelling of waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot verbeurte van een dwangsom dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag, door een ter zake deskundige persoon in opdracht van het bevoegd gezag of door een ter zake deskundige persoon wiens bevindingen het bevoegd gezag voor zijn rekening heeft genomen. De vastgestelde of waargenomen feiten en omstandigheden dienen op een duidelijke wijze te worden vastgelegd. Dat kan geschieden in een schriftelijke rapportage, maar in bepaalde gevallen ook met foto’s of ander bewijsmateriaal. Duidelijk moet zijn waar, wanneer en door wie de feiten en omstandigheden zijn vastgesteld of waargenomen en welke werkwijze daarbij is gehanteerd. Voor zover de vastgestelde feiten en omstandigheden in een geschrift zijn vastgelegd, dient een inzichtelijke beschrijving te worden gegeven van hetgeen is vastgesteld of waargenomen. Een schriftelijke rapportage dient voorts in beginsel te zijn voorzien van een ondertekening door de opsteller en een dagtekening. Aan het ontbreken van een ondertekening en een dagtekening kan worden voorbijgegaan, indien op andere wijze kan worden vastgesteld dat de opsteller van de rapportage degene is die de daarin vermelde feiten en omstandigheden heeft vastgesteld of waargenomen en wanneer die vaststelling of waarneming heeft plaatsgevonden.”
Ook heeft de Afdeling duidelijk overwogen (in r.o. 9.1) dat uit de jurisprudentie niet volgt dat iemand moet zijn aangesteld als toezichthouder om een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag in de zin van deze jurisprudentie te kunnen zijn. Het is voldoende als de betrokken medewerker is van het bevoegd gezag, hij werkzaam is onder de verantwoordelijkheid van dat gezag en deskundig kan worden geacht.
Deze uitspraak brengt meer duidelijkheid in reeds lopende discussies over de feitenvaststelling ten behoeve van invorderingsbesluiten en biedt handvatten voor het opstellen van nieuwe besluiten en de vaststellingen die daaraan ten grondslag liggen.
ABRvS 3 mei 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2017:1179
Door Ad Schreijenberg
"