Nieuwsbrief voor overheden

Stichting Het Cuypersgenootschap diende in augustus 2020 een verzoek in om zes panden in de gemeente Koggenland aan te wijzen als gemeentelijk monument. Het college wees dit verzoek in januari 2023 af, omdat aanwijzing niet paste in het bestaande beleid. De komst van de Omgevingswet zou nieuwe kansen bieden voor ruimtelijk erfgoedbeleid en de panden zouden in dat verband nader moeten worden onderzocht en in het omgevingsplan worden opgenomen. Na bezwaar handhaafde het college dit standpunt, aangevuld met de overweging dat het over een discretionaire bevoegdheid beschikt en de belangen van de eigenaren nog niet in de afweging waren betrokken.

De rechtbank stelde vast dat de gemeentelijke Erfgoedverordening Koggenland 2012 onverminderd van kracht is en dat gemeenten op grond daarvan tot 1 januari 2032 gemeentelijke monumenten kunnen aanwijzen. Op die datum treedt artikel 2.8, onderdeel B, van de Invoeringswet Omgevingswet in werking, waarna een erfgoedverordening geen regels meer mag bevatten over de fysieke leefomgeving in de zin van artikel 2.4 van de Omgevingswet. Totdat die datum is bereikt, blijft de aanwijzingsbevoegdheid in de Erfgoedverordening bestaan en is het college gehouden die verordening toe te passen.

Beleidsruimte ja, maar niet om de verordening te omzeilen
De rechtbank erkende dat het college bij de vraag óf een pand als monument wordt aangewezen, beoordelingsvrijheid heeft. Die vrijheid ontbreekt echter bij de vraag of het college überhaupt toepassing geeft aan de Erfgoedverordening. Door de aanvraag structureel zonder inhoudelijke toetsing af te wijzen, weigerde het college feitelijk uitvoering te geven aan de verordening. Dat is een wezenlijk andere vraag dan het uitoefenen van discretionaire bevoegdheid bij de beoordeling van een concreet monument.

Daarbij woog de rechtbank mee dat de erfgoedcommissie Mooi-Noord-Holland in oktober 2021 positief had geadviseerd over de zes panden, maar dat het college daarna geen enkel vervolgtraject had gestart. Er waren geen redengevende omschrijvingen opgesteld, de belangen van de eigenaren waren niet afgewogen en er was geen nader onderzoek verricht. De rechtbank oordeelde dat dit in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. Zij vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op binnen negen maanden een nieuw besluit te nemen, waarbij het de Erfgoedverordening inhoudelijk moet toepassen. Een bestuurlijke lus achtte de rechtbank, gelet op de daarmee gemoeide tijd, niet aangewezen. De uitspraak sluit aan bij een vergelijkbare uitspraak van rechtbank Gelderland van 17 september 2024 (ECLI:NL:RBGEL:2024:6298).

De uitspraak is een duidelijke waarschuwing voor gemeenten die de behandeling van aanvragen voor gemeentelijke monumentenaanwijzing vooruitschuiven in afwachting van het omgevingsplan. De erfgoedverordening blijft tot 2032 de geldende grondslag, en een aanvraag op die grondslag verplicht tot een inhoudelijke beoordeling. Colleges die dat nalaten, riskeren vernietiging wegens strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel — ongeacht de ruimte die de Omgevingswet op termijn biedt.

Rb. Noord-Holland 20 april 2026, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBNHO:2026:4940

Actualiteiten overzicht

Maak kennis met onze specialisten

Bekijk ons team