Nieuwsbrief voor overheden

In het kader van een ruilverkaveling was de erfgrens van een wegperceel met een aangrenzende tuin van een particulier naar achteren gelegd. Het hekwerk was echter bij het weglichaam blijven staan. Na meer dan tien, maar minder dan twintig jaar, vordert het waterschap zijn eigendom op ten behoeve van een wegverbreding, maar de particulier voert aan dat hij als bezitter te goeder trouw door verjaring eigenaar is geworden.

In eerste aanleg wordt de vordering toegewezen, maar er wordt hoger beroep ingesteld. Het hof baseert zijn oordeel aanvankelijk op artikel 3:23 BW. Dit artikel bepaalt dat geen goede trouw bestaat, indien men op basis van in de openbare registers ingeschreven akten beter had kunnen weten. Het hof moet echter met zoveel woorden op dit oordeel terugkomen: bij de in de openbare registers ingeschreven toedelingsakte behoort weliswaar een kavelkaart, maar noch het kadaster noch andere deskundigen zijn in staat om op basis van de kavelkaart een exacte grens uit te zetten! Het kadaster heeft meegewerkt aan de ruilverkaveling. Het kan de grens uitsluitend uitzetten op basis van de door hem vervaardigde veldwerktekeningen, die overigens ook aan de uiteindelijk opgemaakte toedelingskaart ten grondslag hebben gelegen. Maar deze tekeningen zijn niet ingeschreven in de openbare registers.

In het eindarrest beslist het hof dat de particulier niet te goeder trouw was: hij had zonodig na de kennisgeving van de inschrijving van de toedelingsakte het precieze grensverloop moeten bepalen in overleg met het waterschap door raadpleging van de openbare registers “(zonodig met inbegrip van de genoemde veldwerken)” en zonodig door een kadastrale meting tot een nauwkeurige grensbepaling moeten komen. Bovendien hield de betwisting door de particulier dat hem de juiste grens nooit was aangewezen geen stand, omdat de met de ruilverkaveling belaste organen onder meer in een toelichtend veldwerk hadden gesteld dat de grenzen in het terrein waren aangewezen, althans dat daarvoor gelegenheid was geweest. Er mag van worden uitgegaan dat deze organen overeenkomstig de geldende regels hebben gehandeld, zodat de betwisting ‘bij gebrek aan wetenschap’ onvoldoende was gemotiveerd.

Deze uitspraak is op het moment van uitkomen van deze nieuwsbrief (nog) niet gepubliceerd maar voor de praktijk wel van groot belang.

Hof Den Haag, 9 september 2014

Door mr. U.T. Hoekstra

"

Actualiteiten overzicht