Nieuwsbrief voor overheden
Wat is de juridische grondslag voor de afgekondigde overheidsmaatregelen?
Op aanwijzing van de minister voor Medische Zorg en Sport hebben de voorzitters van de veiligheidsregio’s maatregelen genomen. In de veiligheidsregio’s is een noodverordening ingesteld op grond van artikel 39 lid 1 van de Wet veiligheidsregio’s en artikel 176 van de Gemeentewet. Tegen een noodverordening staat op grond van artikel 8:2 onderdeel a Awb geen bestuursrechtelijk rechtsmiddel open. Zie in dit verband ook de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 19 maart 2020 (ECLI:NL:RBROT:2020:2496).
Wat is de grondslag van de op 23 maart 2020 afgekondigde aanvullende maatregelen?
Op 23 maart 2020 heeft de minister aanvullende maatregelen aangekondigd en heeft hij de voorzitters van de veiligheidsregio’s de aanwijzing gegeven deze maatregelen op te nemen in de noodverordening. Deze aanwijzing is gebaseerd op artikel 7 van de Wet publieke gezondheid (Wpg). Artikel 7 lid 1 Wpg bepaalt dat in de situatie, bedoeld in artikel 6 lid 4 Wpg, de minister van Medische Zorg en Sport leiding geeft aan de bestrijding en dat hij de voorzitter van de veiligheidsregio kan opdragen hoe de bestrijding ter hand te nemen. Daarbij kan hij opdragen tot het toepassen van de maatregelen. Het genoemde artikel 6 lid 4 Wpg bepaalt dat de voorzitter van de veiligheidsregio zorg draagt voor de bestrijding van een epidemie van een infectieziekte behorend tot groep A (zoals het Coronavirus). Hij is in dat geval bij uitsluiting (van de burgemeester) bevoegd om de artikelen 34, vierde lid, 47, 51, 54, 55 of 56 van de Wpg toe te passen.
Welke maatregelen kunnen in een noodverordening opgenomen worden?
De burgemeester (of zoals in dit geval de voorzitter van de veiligheidsregio) kan tijdelijk geldende regelgeving of besluiten opzij zetten. Voor de eventuele beperkingen van grondrechten waar dat mee gepaard gaat geldt de normale beperkingssystematiek van die grondrechten. Voor bepaalde grondwettelijk beschermde grondrechten krijgt de voorzitter meer ruimte. In de wetsgeschiedenis van de Gemeentewet worden in dat kader genoemd de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging (artikel 6 Grondwet), de uitingsvrijheid ( artikel 7 Grondwet) en de vrijheid van vergadering en betoging (artikel 9 Grondwet). De meest recente modelnoodverordening, op grond van de op 23 maart 2020 afgekondigde maatregelen, is hier te vinden. De voorzitters van de verschillende veiligheidsregio’s baseren hun afzonderlijke noodverordeningen op deze noodverordening, afgestemd op de regionale situatie.
Kunnen de burgemeesters van afzonderlijke gemeenten nog een noodverordening uitvaardigen?
Artikel 39 lid 1 van de Wet veiligheidsregio’s bepaalt dat de voorzitter van de veiligheidsregio “bij uitsluiting” bevoegd is om toepassing te geven aan de in dat lid genoemde bevoegdheden. Een groot deel van de klassieke openbare ordebevoegdheden wordt in het artikel genoemd: de artikelen 172 tot en met 177 van de Gemeentewet, met uitzondering van artikel 176, derde tot en met zesde lid. Dat wil niet zeggen dat de afzonderlijke burgemeesters niet langer bevoegd zijn om gebruik te maken van hun noodbevoegdheden in verband met (andere) lokale noodsituaties binnen de gemeente.
Volgens de wetgever kan dat waar nodig in afstemming met de voorzitter van de veiligheidsregio plaatsvinden (zie Kamerstukken I 2009/10, 31117, C, p. 32). Bij lokale noodsituaties van totaal andere orde ligt dat niet voor de hand. Wanneer afzonderlijke burgemeesters als gevolg van of in het kader van de huidige crisis zelf van hun noodbevoegdheden gebruik gaan maken, zal dat in overleg met de voorzitter van de veiligheidsregio moeten gebeuren. Omdat de andere burgemeesters uit de regio, net als de hoofdofficier van justitie en de voorzitter van de betrokken waterschappen, op grond van artikel 39 lid 2 van de Wet veiligheidsregio’s onderdeel uitmaken moet afstemming geen probleem zijn.
Welke verdergaande maatregelen zijn voorstelbaar?
Artikel 103 lid 1 van Grondwet luidt:
De wet bepaalt in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd; zij regelt de gevolgen.
Als uitvoeringsregeling van deze bepaling is er de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden (CWU). Op grond van die wet kan, als buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken ter handhaving van de uitwendige of inwendige veiligheid, de regering een beperkte of algemene noodtoestand uitroepen. Dat gebeurt bij koninklijk besluit op voordracht van de minister-president.
Op grond van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag (Wbbbg) kan de regering de bestuursorganen die normaal gesproken bevoegd zijn aanwijzingen geven. Op grond van artikel 6 lid 1 Wbbbg kan de minister van Justitie en Veiligheid de bevoegdheid burgemeesters instrueren met betrekking tot hun openbare ordebevoegdheden. Als er een noodtoestand geldt kunnen grondrechten verdergaand beperkt worden. In artikel 103 lid 2 Gw worden genoemd: artikel 6 Gw voor zover dit de uitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen van het in dit artikel omschreven recht betreft (godsdienstvrijheid), artikel 7, de vrijheid van meningsuiting, artikel 8 de verenigingsvrijheid, artikel 9 vergader- en betogingsvrijheid, artikel 12 tweede lid (binnentredingswaarborgen woningen), artikel 13 (briefgeheim) en last but not least artikel 113, eerste en derde lid (rechtspraak).
Op grond van artikel 8 lid 1 Wbbbg kunnen de minister van Justitie en Veiligheid en de commissaris van de Koning ook het vertoeven in de open lucht te beperken. Op grond van artikel 29 Wbbbg is de minister van Justitie en Veiligheid bevoegd om bestuursdwang toe te passen ter handhaving van zijn maatregelen.
"