Nieuwsbrief voor overheden

Incidentele vordering ex artikel 843a afgewezen. Fishing expeditie. Contractsvrijheid overheid bij privaatrechtelijke aanbod tot verkoop van haar grond. Geen schending gelijkheidsbeginsel of zorgvuldigheidsbeginsel

Een benzinepomphouder wil een bepaald verkooppunt verplaatsen naar een nieuwe locatie. Daartoe gaat hij in overleg met de gemeente Dronten die eigenaar is van deze locatie. Er wordt echter geen overeenstemming bereikt. De gemeente verkoopt de locatie aan een concurrent. Daarop is Leiden in last: de benzinepomphouder spreekt de gemeente aan, stellend dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dan vooral het gelijkheidsbeginsel zijn geschonden.

Dat moet hij dan uiteraard bewijzen. In artikel 843a Wetboek van Rechtsvordering is bepaald dat iemand die daarbij een rechtmatig belang heeft, op zijn kosten een kopie of een uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden van onder meer degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Op grondslag van dit wetsartikel vordert de benzinepomphouder inzage in de bescheiden aangaande de met de concurrent bereikte overeenkomst. Hij stelt dat hij daarbij belang heeft, omdat er onvoldoende inzicht bestaat in de voorwaarden die de gemeente met de concurrent is overeengekomen. De gemeente verweert zich met het betoog dat de vordering slechts tot doel heeft om feiten naar boven te hengelen die mogelijkerwijs onrechtmatig zijn geweest, zodat het gaat om een ‘fishing expedition’: daarvoor is dit wetsartikel niet bedoeld! Bovendien is het vermoeden niet gerechtvaardigd dat de opgevraagde stukken de vordering zullen ondersteunen, zodat de pomphouder geen rechtmatig belang heeft. De rechtbank overweegt dat het wetsartikel niet de mogelijkheid biedt voor het opvragen van documenten waarvan slechts het vermoeden bestaat dat zij mogelijk steun zouden kunnen geven aan een geponeerde stelling. Door het opvragen van een groot aantal stukken waarvan de pomphouder deels niet weet of deze bestaan, de inhoud niet kent en waarvan ook niet bekend is of deze daadwerkelijk informatie bevatten die bruikbaar is voor het te leveren bewijs, heeft de vordering het karakter van een ‘fishing expedition’ waarvoor dit wetsartikel inderdaad niet is bedoeld. Daarom wordt deze vordering afgewezen.

Inhoudelijk overweegt de rechtbank dat het de gemeente vrij stond om in te gaan op het voorstel van de concurrent. Diens voorstel verschilde van dat van de benzinepomphouder doordat deze laatste een groot verkooppunt wilde, terwijl de concurrent een klein, onbemand verkooppunt beoogde. Het is niet zo, dat de gemeente verplicht was om de pomphouder in de gelegenheid te stellen om het voorstel van de concurrent ‘te matchen’, omdat het zorgvuldigheidsbeginsel niet zo ver strekt dat de gemeente gehouden was om de commerciële belangen van de pomphouder mee te wegen. De wetenschap van de gemeente dat de pomphouder belangstelling had voor en groot zakelijk belang had bij de exploitatie van het perceel, maakt dat niet anders. Deze pomphouder is er kennelijk vanuit gegaan dat de gemeente het perceel door middel van een tender in de markt zou gaan zetten in welke tender hij zou kunnen meedingen, maar de pomphouder heeft niet gesteld dat en waarom het afzien van een tenderprocedure onrechtmatig zou zijn.

Ook van schending van het gelijkheidsbeginsel is geen sprake: een openbare verkoopprocedure was niet vereist. Op de gemeente rustte niet de verplichting om door het stellen van dezelfde voorwaarde een gelijk speelveld voor deelnemende partijen te creëren, nu zij niet gelijktijdig met de verschillende partijen in gesprek was. Mede gelet op de inhoud van de plannen was er geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel.

Op zichzelf is het waar dat de gemeente in de onderhandelingen met de pomphouder een hogere vraagprijs hanteerde, dan de vraagprijs die zij later in de onderhandelingen met de concurrent vroeg. Echter, de pomphouder had onvoldoende gesteld dat de gemeente met hem zou hebben onderhandeld op basis van niet-marktconforme uitgangspunten. De gemeente heeft toegelicht dat in de loop der tijd de omstandigheden waren veranderd door het niet doorgaan van een herstructurering van de brandstofverkooppunten, de stijging van de korting van de pompprijskorting en neerwaartse bijstelling van de verkeersontwikkelingen voor de desbetreffende locatie. Er is dus voor wat betreft de prijs geen ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt.

Ook de vordering ten gronde wordt daarom door de rechtbank afgewezen.

Rb Midden-Nederland 14 maart 2018, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBMNE:2018:1116

Door Rikkert Hoekstra

"

Actualiteiten overzicht