Nieuwsbrief voor overheden
De terugkeer van zedendelinquenten in de wijk gaat niet zelden gepaard met maatschappelijke onrust. In het verleden is door menig burgemeester gepoogd een gebiedsverbod op te leggen om openbare ordeproblemen te voorkomen. Vaak liepen dergelijke pogingen op niets uit. Recent liet de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland een besluit tot het opleggen van een gebiedsverbod aan een terugkerende zedendelinquent echter in stand.
In deze nieuwsbrief berichtte ik u recent over een symposium dat in Amsterdam plaatsvond over de terugkeer van zedendelinquenten in de samenleving. Ik sprak op dat symposium over de mogelijkheden die burgemeesters hebben om openbare ordeproblemen als gevolg van de terugkeer van zedendelinquenten tegen te gaan. Een gebiedsverbod biedt in theorie een mogelijkheid, maar is in de praktijk zelden houdbaar gebleken. Zo werd een door de burgemeester van Eindhoven opgelegd gebiedsverbod geschorst, onder meer omdat ordeverstoringen in de zin van maatschappelijke onrust niet van de zedendelinquent zelf uitgingen (rechtbank ’s-Hertogenbosch 27 oktober 2009, ECLI:NL:RBSHE:2009:BK1271). De burgemeester van de gemeente Utrechtse Heuvelrug hoorde de voorzieningenrechter overwegen dat er onvoldoende relevante feiten en omstandigheden naar voren werden gebracht om de conclusie te rechtvaardigen dat de aanwezigheid van een zedendelinquent zou leiden tot verstoring van de openbare orde (rechtbank Utrecht 3 december 2009, ECLI:NL:RBUTR:2009:BK5246).
In een (ook op naam van de gemeente geanonimiseerde) uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 7 februari 2018 bleef een gebiedsverbod wel in stand. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat uit de dossierstukken en hetgeen ter zitting werd verklaard, kan worden afgeleid dat er ernstige zorgen bestaan over de openbare orde in de wijk (r.o. 4.1 t/m 4.4). Er is sprake van een licht ontvlambare situatie. Gelet daarop kon de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat er concrete aanwijzingen waren dat ernstig moest worden gevreesd voor een verstoring van de openbare orde. Daarom was hij bevoegd om op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet een gebiedsverbod op te leggen.
Het lijkt erop dat het omvangrijke dossier en de vele verklaringen omtrent de te verwachten maatschappelijke onrust de doorslag hebben gegeven om het verzoek om een voorlopige voorziening in dit geval af te wijzen.
Rb Noord-Nederland 7 februari 2018, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBNNE:2018:417
Door Ad Schreijenberg
"